|
Laat ik, zo tegen het einde van het jaar, nog eens voluit toegeven aan mijn natuurlijke neiging te jongleren met ergernissen. Over de misvorming van onze landstaal moet het ditmaal maar eens gaan.
Hele volksstammen rotzooien, in een poging een flitsende indruk te maken, een eind aan met zelfgemaakt Engels. Hun zijn, naar mij is gebleken, met goede raad noch mededogen te helpen. Het is vechten tegen de beerput. Ik laat hun gebrabbel daarom thans onbesproken. Ook zonder hun wartaal kom ik trouwens wel aan de content die de uitgever van dit magazine als target heeft gesteld.
Nee, mijn misnoegen gaat heden uit naar een fenomeen met een sluipend karakter: het vervuilde proza dat sinds decennia wordt geloosd in de ooit zo zuivere rivier van het Nederlands.
Daar is het verschijnsel van de verhulling. De leden van het koninklijke huis zijn wat dat betreft goed in het geven van het slechte voorbeeld. Krijgen zij het verwijt dat ze te veel verdienen of milieuvervuilend vakantie vieren door almaar over grote afstanden met het vliegtuig te reizen, dan ontkennen ze dat niet, maar ze zeggen: ’In onze beleving ligt het anders’. Die wijze van uitdrukken heeft intussen een verwoestende uitwerking gehad op de goede gewoonte op basis van feiten te oordelen. De graaiende bankier die zijn klanten louter financieel onheil heeft bezorgd, ervaart zijn handelwijze zelf in het geheel niet als frauduleus. De chirurg die onbekommerd met de botte bijl zijn patiënten is te lijf gegaan, heeft opeens
|
een heel eigen, milde beleving van de dood. Ook heel erg is het toenemend gebruik van het woord ’vooraankondiging’. Hoe zinvol immers is het iets na afloop aan te kondigen? ’Vorige week trakteert de burgemeester alle ingezetenen op bier of dubbelfrisss; naar keuze`. Nou, daar zijn de ingezetenen dan vet mee.
Journalisten die de zinsnede ’het kan zomaar zijn dat’ gebruiken, zouden langdurige vrijheidsstraffen opgelegd moeten krijgen. Ze geven de taal een ellendig virus mee. Ze zouden, als ze eerlijk waren, moeten bekennen dat ze te bedonderd zijn uit te zoeken welke gebeurtenis aanstaande is, maar laten hun luiheid en onwetendheid schuilgaan achter de veralgemenisering dat ’iets zomaar zou kunnen zijn’.
Zeer pijnlijk is het steeds vaker te moeten horen dat geïnterviewde artiesten iets niet ’hun ding’ vinden. Zeg dan toch gewoon dat je geen talent hebt, behalve dan om een ’lekker ding’ te zijn, hetgeen voor de media veelal ruim voldoende is om aandacht aan je te besteden.
De weerkerende mededeling omtrent het vermoeden dat er ’toch wel iets’ moet zijn, is geen antwoord op de vraag naar religiositeit. God bestaat, of hij bestaat niet. Stop via handigheden in de taal de kool en de geit te stoven en zeg wat je werkelijk vindt. Bijvoorbeeld: ’Ja, ik ben door mijn ouders toch wel een beetje bang gemaakt voor de hel. Nou kom ik daar liever niet voor uit en dus zeg ik iets waar ik niet om uitgelachen word en waar ik me ook geen buil aan kan vallen mocht het hiernamaals toch bestaan’.
|

Dan nog dit: het zou waarachtig geen kwaad kunnen als in het onderwijs eens op een regenachtige middag aandacht wordt besteed aan de wederkerende en niet-wederkerende werkwoorden. Men moet zich toch beseffen hoezeer velen zich kunnen irriteren aan als men hem zijn eigen rommeliger uitdrukt als strikt nodig.
Dat werkt als een lap op een rode stier.
Fijne feestdagen; en laat verzorgd taalgebruik in 2010 de boventoon vieren. Zo moeilijk is dat niet.
Een gegeven paard kan de was doen.

|