|
Het kapitalisme, de staat en de volgende crisis |
| Afdrukken | |
E-mailadres |
|
Locomotie 40
|
Door Arjen Nijeboer
Het kapitalisme, de staat
en de volgende crisis
|
|
De financiële crisis die in 2007 uitbrak is het gevolg van een teveel aan economische vrijheid, zo is de afgelopen jaren van alle kanten gesteld. De staat heeft te veel zaken gedereguleerd en de private sector kreeg ten onrechte ruim baan. Daardoor kreeg de hebzucht vrij spel, onder meer in de vorm van hoge bonussen die tot het nemen van onverantwoorde risico's leidden. De oplossing is meer staatsregulering, en als noodgreep zelfs de voorlopige nationalisering van het halve Westerse bankwezen. Sommigen pleiten zelfs voor een gehele en permanente nationalisering van de consumentenbanken.
Deze sentimenten zitten er tenminste ten dele naast. Een nauwkeuriger analyse van enkele onderbelichte aspecten wijst juist op een te dominante rol van de staat. En op cruciale punten zijn de wetten van de vrije markt juist te veel ontkend of door staatsingrijpen ongedaan gemaakt. Dit komt door een merkwaardige symbiose tussen staat en kapitalisme waarbij kapitalisme iets heel anders is dan een vrijemarkteconomie.Deze zaken worden momenteel niet duidelijk onderkend en veel voorgestelde crisismaatregelen leiden dan ook eerder tot een versterking van wat we het staatskapitalisme zouden kunnen noemen. Als er niets verandert, ligt de volgende crisis om de hoek.
Bubbel Zoals bekend speelde de directe aanleiding van de crisis op de Amerikaanse hypotheekmarkt. Arme Amerikanen die
|
nauwelijks kredietwaardig waren, hadden hypotheken gekregen die ze in feite alleen konden betalen als de huizenprijzen, die sinds de jaren '90 sterk stegen, ook in de toekomst zouden blijven stijgen.Toen ze dat niet meer deden, knapte de huizenbel. Omdat banken de hypotheken in pakketten hadden verstopt en doorverkocht aan banken over de hele wereld, kwamen overal banken in de problemen. Vanwege de ondoorzichtigheid wist niemand waar de pijn precies zat. Banken vertrouwden elkaar niet meer, het onderlinge leenverkeer kwam tot stilstand en de kredietcrisis was een feit.
Het is uiterst merkwaardig dat in het publieke debat nauwelijks het feit een rol speelt dat we de Amerikaanse huizenbubbel te danken hebben aan progressief overheidsbeleid. Amerikaanse politici hadden bedacht dat iedereen moest kunnen meeprofiteren van de zegeningen van het kapitalisme: het opbouwen van een eigen kapitaaltje dat 'voor je kan werken'. Huizenbezit is doorgaans niet alleen het grootste bezit dat de kleine man zich kan verwerven, het heeft ook nog eens de prachtige neiging om in waarde te blijventoenemen.Daar huizen vangeneratie op generatie konden worden overgeërfd, kon zo ook de onderklasse door de eeuwen heen rijk worden. Iedereen moest dus huiseigenaar worden. Het probleem was echter hoe de armen aan een hypotheek konden komen.
Hiervoor werd, in het kader van Roosevelt's New Deal,in 1938 de Federal National Mortgage Association opgericht, later herdoopt als Fannie Mae. Om te concurreren met Fannie, werd in 1970 volgens eenzelfde constructie Freddie Mac opgericht. Beide hadden de taak, via diverse
|
constructies, ervoor te zorgen dat nietkredietwaardigeAmerikanen toch een hypotheek konden krijgen. In 2008 waren Fannie en Freddie eigenaar van of stonden garant voor 56,8% van deAmerikaanse hypotheekmarkt die toen 12 triljoen dollar bedroeg.'De overheid stond aan de basis van de subprimeleningen', concluderen NRC-redacteuren Kalse en Van Lent in hun boek Bankroet (p. 21).
Republikeinse politici, inclusief Bush junior, deden hier overigens net zo hard aan mee als Democratische. De subprimehypotheken gingen namelijk voor een zeer groot deel naar zwarten en Hispanics. Van alle hypotheken die zwarte Amerikanen hebben,is 55% subprime,en van Hispanics is 45% subprime (ofwel circa de helft).Bij'Whites' is dit slechts 17%,ofwel minder dan een zesde. De etnische doelgroepen hebben een massa stemmen te vergeven en beide politieke partijen wilden hen aan zich binden. Het ging hierbij om een mengeling van stemmen kopen en positieve discriminatie. Dit zijn natuurlijk bij uitstek politieke overwegingen die tegen elke economische ratio ingaan. Bij de vraag of iemand een lening kan krijgen, mogen alleen relevante feiten als inkomen en onderpand een rol spelen, en nooit diens huidskleur.
Grond Men kan over huizen wel spreken als 'kapitaal', maar in werkelijkheid is een huis uiteraard geen kapitaalgoed. Een huis is geen productiemiddel zoals een machine die chocoladerepen produceert die je vervolgens kan verkopen. Een huis is een consumptiegoed dat in principe langzaam vervalt. Men zou verwachten dat de waarde van een huis daarom afneemt. Toch stijgen de prijzen meestal. Hoe
|
|
|
pagina 1 van 6 |
|

komt dit? Wat is de oorzaak dat huizen überhaupt zo duur zijn dat zoveel mensen met een modaal inkomen ze niet kunnen betalen zonder staatssteun?
Het antwoord is, opnieuw, de staat. Stijgende huizenprijzen lijken vooral te worden veroorzaakt doordat de grond waarop huizen staan, steeds duurder wordt verkocht. De prijzen van Amerikaanse en Britse landbouwgrond zijn de laatste 10 jaar met 250% gestegen, en de Australische maar liefst met 400%.De prijzen van bouwgrond stijgen zo mogelijk nog harder. Volgens de BBC stegen bouwkavelprijzen in Groot-Brittannië tussen 1983 en 2003 met 800%.
Maar grondeigendom en het verhandelen van grond is vanuit strikt economisch perspectief een onmogelijke zaak. Toen Adam en Eva op aarde kwamen, had de grond geen eigenaar. De grond was van iedereen en niemand tegelijk. Op een gegeven moment heeft iemand een hek rondom een stuk vrije natuur gezet en is tol gaan eisen van mensen die erlangs moesten.Later kon de 'grondeigenaar' de grond verkopen, terwijl hij die zelf nooit had hoeven kopen.Hier is sprake van een prestatie zonder tegenprestatie, een situatie die op een authentieke vrije markt niet lang kan bestaan. De 'grondeigenaar' kwam daar alleen mee weg omdat de staat met zijn soldaten aan zijn zijde stond, en de nieuwe situatie via wetten legitimeerde.
|
Een vergelijking: niemand zou accepteren wanneer ik nu verklaarde nieuwe eigenaar toe zijn van de maan, en stukjes maangrond ging verkopen aan mensen die er een maanbasis willen bouwen. Ik zou er ook alleen mee wegkomen als ik militair sterker was dan de VS, die mijn aanspraken terecht heel onrechtvaardig zouden vinden en hun strijdkrachten zouden inzetten om dit onrecht te beëindigen.Hetzouiets anderszijn wanneerik op de maan worteltjes ging verbouwen. Iedereen zou het normaal vinden om voor die worteltjes te betalen, omdat ik ze door eigen arbeid verbouwd had. Maar de maan is niet door mij geproduceerd.Daarom zou niemand het accepteren wanneer ik pacht zou vragen aan een maanlandbouwer, terwijl ik zelf lekker op mijn maanbasis blijf niksen.
Echter, in een gezonde economie bestaat er geen prestatie zonder tegenprestatie. Of de prestatie nu geleverd wordt door verwoed denkwerk achter een bureau, door de vloer te vegen of door brood te bakken: leden van de beroepsbevolking die iets willen consumeren, zullen er in ruil voor moeten produceren.
Geld maken Behalve de directe aanleiding van de kredietcrisis speelden andere structurele factoren een rol, die niet toevallig elkaar versterkten omdat ze allen vanuit dezelfde staatskapitalistische premisse werkten. Een daarvan is de tendens in ons financiële systeem, waarbij banken, beurzen, hedgefondsen en andere financiële instellingen steeds met elkaar verweven raakten.
De kredietcrisis werd veroorzaakt doordat banken,in hun zucht naar het pakken van meer winst en het afschuiven van risico's, begonnen waren met het opknippen en herverpakken van hypotheken in collateralized debt obligations (CDO's), residential mortgage backed securities (RMBS's) en andere asset backed securities (ABS's). Een volledige beschrijving van deze instrumenten zou
|
dit hele nummer van Locomotie kunnen vullen, omdat ze uiterst complex zijn en zelfs door ervaren bankiers niet volledig werden doorgrond (ze werden vooral opgesteld door de jonge whizz kids die vanaf de jaren '80 toenemend Wall Street bevolkten). Deze bundels werden vervolgens doorverkocht aan andere banken, maar ook verhandeld op de beurs, waar een CMO een zelfstandige koers kreeg die niet per se samenhing met de oorspronkelijke waarde van de leningen. Ten eerste omdat die waarde nauwelijks nog vast te stellen was,en ten tweede omdat de perceptie van de gehoopte (of gevreesde) toekomstige waarde door beurshandelaren de koersen deed stijgen of dalen.
Een beurs is een heel ander instituut dan een bank. Een klassieke bank haalt spaargeld open leentdatweeruit,bijvoorkeur aan ondernemers die daarmee nieuwe productieprocessen op gang brengen en daarmee zoveel winst genereren dat ze de lening plus rente kunnen terugbetalen. Zo'n constructie is onveranderlijk en transparant: de lening is tegen een vooraf bepaalde looptijd en een vaststaande rente. Op de beurs kan een stuk 'geld' - een waardepapier of andere zaak die geld vertegenwoordigt -echter een waarde aannemen die losstaat van diens oorspronkelijke waarde.Geld begint zich hier te gedragen alsof het zelf een product is met een waarde die afhangt van steeds veranderende waarnemingen en verwachtingen als de heersende mode.
Het geld heeft, met andere woorden, de neiging om los te raken van de reële economie van goederen en diensten, en uit zichzelf nieuw geld voort te brengen. Dit wordt actief nagestreefd door talloze beursjongens, investeerders en speculanten, die zoeken naar manieren om geld voor zichte latenwerken,maar infeiteanderen voor zich laten werken zonder zelf een werkelijke tegenprestatie te leveren.
Eiland Allerlei halfbewuste veronderstellingen
|
|
|
pagina 2 van 6 |
|
van beurshandelaren en economen omtrent geld ondersteunen en legitimeren het streven naar het maken van geld met geld. Het kernidee -dat in de Oostenrijkse School, die de laatste decennia via de libertariërs veel aan invloed heeft gewonnen -luidt dat geld een 'goed' is zoals andere economische goederen. Dat is onjuist. Geld heeft alleen maar waarde omdat het op een gegeven moment 'geruild' kan worden tegen een fysiek goed of een dienst die door andere mensen geleverd wordt. Stel dat een miljardair met een koffer vol dollars aanspoelt op een eiland. Of zijn geld waarde heeft of niet hangt ervan af of er op dat eiland nog andere mensen zijn die in staat zijn om te produceren en zijn valuta accepteren. Zijn die mensen er niet, of zijn ze economisch totaal incapabel, dan hebben zijn dollarbiljetten precies.
Het moderne geld is niets anders dan de boekhouding van de werkelijke economie van goederen en diensten. De werkelijke goederen en diensten zijn waar alles uiteindelijk om draait, en het geld is in feite een boekhouding om bij te houden wie nog iets van wie tegoed heeft. Doordat het geld steeds meer elektronisch wordt -in de VS neemt het girale geld al 90% van de totale geldhoeveelheid voor zijn rekening -komt het wezen van het geld als boekhouding steeds meer tot verschijning.Tegelijk neemt door de elektronisering,paradoxaal genoeg,deneiging van het geld om een hoge vlucht te nemen toe,doordatgeld zogemakkelijkvan gedaante kan wisselen naar gelang van de vele 'financiële producten' die de bank-en beursjongens hebben bedacht.
Het foute idee dat geld een goed is, komt doordat dit vroeger in zekere zin waar was. In vroegere tijden was er veel minder vertrouwen tussen mensen dan nu, en had men de neiging om als ruilmiddel zaken te nemen die in de ogen van de mensen intrinsieke waarde hebben. Goud en zilver hebben intrinsieke waarde en zijn goederen. Een bankbiljet wordt door iemand hooguit bewaard zodat hij
|
het -of eventueel zijn erfgenamen later alsnog kan uitgeven. Een bankbiljet bewaren voor de eeuwigheid is zinloos. Maar iemand kan prima een gouden ring kopen met het idee om hem nooit meer weg te doen,om het te 'consumeren'.Het feit dat goud zeer duurzaam is, maakt het een bijzonder goed maar het is nog steeds een goed. Economen kennen traditioneel drie functies toe aan geld: de waardeopslag (oppotfunctie), ruilmiddel en rekeneenheid. Dit is een gedachtegang die mijlenver achterloopt op de werkelijkheid.De functie van de waardeopslag komt in feite voort uit de rol van goud als geld.Goud is uiterst duurzaam en chemisch inert (reageert hoegenaamd niet met andere stoffen). De financiële waarde van goud is door de geschiedenis heen inderdaad opmerkelijk constant. Goud is dus een werkelijke waardeopslag, maar modern geld niet:geld neemt steeds af in waarde en we zullen hieronder zien dat dat ook nodig is.
De tweede functie van geld is het ruilmiddel en die hangt samen met het bankbiljet. Dat is ontstaan als schuldbekentenis van smeden en dergelijke die het goud van hun klanten in hun kluis bewaarden. De schuldbekentenissen waren eerst op naam ('wissels op naam'), later werden de wissels door mensen onderling als betaalmiddel gebruikt en gaf de kluiseige-

Geldboom |
naar het goud mee aan iedereen die een wissel kon laten zien ('wissel aan toonder'). Dit werden de bankbiljetten. De ruilfunctie hangt typisch samen met de bankbiljetten, want deze kun je steeds bij je hebben en bij een transactie ruil je daadwerkelijk het bankbiljet tegen bijvoorbeeld een brood. Na de Tweede Wereldoorlog werden in het Bretton-Woodsstelsel alle valuta aan de dollar gekoppeld, en de dollar was inwisselbaar tegen goud (de goudstandaard).Hoewel de goudhoeveelheid in de kluizen dat de bankbiljetten moest dekken al eeuwenlang afnam, kwam aan de koppeling tussen goud en geld pas een definitief einde in 1971, toen Nixon gedwongen was de goudstandaard op te geven en de dollarkoers ging zweven. Nu het geld steeds meer elektronisch wordt, is zelfs de ruilfunctie geen echte werkelijkheid meer.Als Jansen zijn boodschappen bij Pietersen betaalt met een PIN-pas, dan wordt er een elektronisch berichtgestuurd naardebank,die daarop zijn administratie aanpast. In de database van de bank wordt bij Jansen een getal weggehaald ten teken dat zijn recht op consumptie met x punten vermindert, en bij Pietersen een getal toevoegt ten teken dat iemand in de economische kringloop iets voor Pietersen heeft gedaan en Pietersen nog recht heeft op een tegenprestatie ter waarde van x punten. Ofwel, geld is alleen nog maar rekeneenheid -de functie van administratie treedt volop tevoorschijn. De drie functies van geld hangen samen met de drie verschijningsvormen van geld: goud, chartaal geld en giraal geld.
Zeepbellen Zoals gesteld heeft onze financiële wereld de neiging om financiële waarden zichzelf te laten vermenigvuldigen, zonder dat er een corresponderende tegenwaarde aan goederen en diensten tegenoverstaat -of eigenlijk productiecapaciteit, wat de werkelijke factor is die aan het geld zijn waarde
|
|
|
pagina 3 van 6
|
|
|
|
|
geeft. Geld moet op de juiste momenten ontstaan en vergaan, zoals ook producten en productiecapaciteiten in de fysieke wereld ontstaan en vergaan. Mensen pogen daarentegen om de waarde van geld te vereeuwigen en steeds te laten toenemen, en omdat ons geldsysteem toenemend een (uiterst complexe) boekhouding is, hebben de geldboekhouders daarvoor ook steeds meer middelen.
Hoewel het verkrijgen van overzicht dus heel moeilijk is, wordt in feite alom toegegeven dat er in onze economie te veel geld bijkomt. In het huidige financiële systeem wordt geld volgens de meeste economen vooral geschapen doordat commerciële banken nieuwe leningen uitgeven (waarbij het geld wordt vernietigd wanneer de lening wordt afbetaald). Centrale banken kunnen direct de geldhoeveelheid laten groeien, maar kunnen ook de geldcreatie door commerciële banken bevorderen door de rente te verlagen.Dan wordt er meer geleend en dus meer geld gecreëerd. Na het leeglopen van de internet-zeepbel in 2000-2003, bestreden de centrale banken de dreigende recessie door de geldkraan wijd open te draaien. De Amerikaanse Federal Reserve verlaagde de rente, die begin jaren '80 op 15% stond en in 2001 nog 6,5% bedroeg, in 17 snelle stappen tot 1% in 2003. Gedurende 25 jaar lang liet de Fed zo de rente dalen, met slechts kleine incidentele verhogin-gen.Ook de ECB verlaagde de rente naar 2% en de Japanse centrale bank zelfs naar iets boven 0%.
Dit heeft overal geleid tot een enorme groei van de geldhoeveelheid. De geldgroei in de Verenigde Staten bedroeg de afgelopen 18 jaar 189%. In de Eurozone lag de geldschepping van 2001 tot 2007 jaarlijks tussen de 5 en 10%, terwijl in 1998 bij de introductie van de Euro op aandringen van Nederland en Duitsland in Europees verband was afgesproken dat de geldhoeveelheid jaarlijks niet meer mocht groeien dan 4,5% (in 2003 werd
|
dit principe terzijde geschoven, zogenaamd tijdelijk om de economie na de dotcom-crash te stimuleren, maar in werkelijkheid kregen de bankiers de liquiditeitsgeest niet meer in de fles).
Als de geldhoeveelheid harder groeit dan de reële economie van goederen en diensten, dan leidt dit haast per definitie tot inflatie en zeepbellen. De massale liquiditeit die extra werd gecreëerd om de economie uit het slop te trekken na het barsten van de dotcom-bubbel in 2000, leidde op haar beurt weer tot het verder opblazen en uiteenspatten van de Amerikaanse huizenbubbel in 2007,doordat veel Amerikanen de goedkope leningen gebruikten om huizen te kopen, wat leidde tot stijgende huizenprijzen, op basis waarvan ze nog meer nieuwe en hogere leningen konden afsluiten.Toen de Fed de rente weer verhoogde van 1% in 2003 naar 5,25% een paar jaar later, kwamen veel huizenbezitters enorm in de problemen. Toen de huizenprijzen als gevolg daarvan gingen dalen, kwamen nog meer huiseigenaren in moeilijkheden omdat ze een continue prijsstijging nodig hadden om hun huizen te kunnen blijven financieren.
Spiraal Als het geld dat bij het verstrekken van een nieuwe lening wordt gecreëerd, in productieve zaken wordt gestoken,dan is die geldgroei voor zover gedekt. Maar huizen zijn consumptiegoederen en geen 'investeringen'. De zichzelf versterkende spiraal van steeds hogere leningen die steeds hogere huizenprijzen veroorzaakten, is bij uitstek een voorbeeld van het ontstaan van een luchtbel. Er is echter een klein aantal onorthodoxe denkers, waaronder de econoom Silvio Gesell, de filosoof Rudolf Steiner en professoren als Dieter Suhr, die betogen dat elke nieuw geschapen geldhoeveelheid na een aantal jaren moet verdwijnen. Zowel chartaal geld (bankbiljetten en munten) als giraal geld moet uit de circulatie worden genomen. Is dit een luchtkasteel,bedacht door onkundige
|
dagdromers? De invloedrijkste econoom van de afgelopen eeuw, John Maynard Keynes, dacht van niet. Hij beschreef Gesell als een bij vlagen briljante econoom, van wie de toekomstige mensheid meer zou leren dan van Karl Marx, en het concept van verouderend geld als in de kern juist hoewel kampend met praktische problemen.
Het is ten principale eenvoudig in te zien dat geld geen eeuwig leven heeft. Stel dat je een economie hebt van twee mensen. A produceert iets voor B.B geeft daarom een schuldbekentenis (bankbiljet) aan A. Als A later dit bankbiljet gebruikt om iets van gelijke waarde van B iets te kopen, is de schuld opgeheven en zou het bankbiljet verscheurd moeten worden.
Bij een grote groep mensen is zo'n gesloten circuit niet meer aan te wijzen. Het is juist efficiënt dat de schuldbekentenissen als het ware gedepersonaliseerd zijn, en ze steeds kunnen blijven circuleren. Dat is juist het voordeel van universeel geld. Maar dat neemt niet weg dat er nog wel een logische grens zit aan de werkelijke waarde van het geld.Als ik een dienst verricht aan iemand anders, en in ruil een bankbiljet ontvang, dan kan ik daar in de toekomst slechts iets mee aanvangen zolang er nog productievermogen in de maatschappij aanwezig is. Het idee is immers dat straks iemand iets voor mij zal doen, en ik mijn bankbiljet dan weer aan hem doorgeef.Het is nu cruciaal om in te zien dat, als we niets extra zouden doen, het momenteel bestaande productievermogen in de economie langzaam afneemt. De huidige productieve mensen gaan langzamerhand met pensioen en overlijden. Als er geen nieuwe generatie productieven bij komt, wordt mijn geld dus waardeloos.
Een extreme situatie kan dit verduidelijken.Veronderstel dat je een samenleving hebt die op een bepaald ogenblik radicaal stopt met de generatievernieuwing. Er komen dus geen kinderen meer bij. De bevolking blijft produceren en spaart ook
|
|
|
pagina 4 van 6 |
|
|
|
 |
is geworden,kan het alleen nog aan Instellingen van het Geestesleven (IGL's) worden gegeven, die als enige het recht hebben om een vervallen bankbiljet bij de centrale bank in te ruilen voor een nieuw exemplaar. Door de geldigheidstermijn van een bankbiljet te veranderen, kan de geldkringloop verlengt of verkort worden en verschuift per jaar meer of minder koopkracht naar het geestesleven.
Sterker, voor Steiner is het cruciaal dat het economische associaties zijn die het geld in omloop brengen. Economische associaties zijn aaneensluitingen van producenten en consumenten, die de huidige, te ver doorgeschoten concur-rentie vervangen door rationeel overleg, win-win-situaties en contracten. Het punt is dat geld per definitie een economische aangelegenheid is waaraan de staat niets productiefs heeft bij te dragen.
|
| een flink bedrag voor de oude dag. Langzaam verouderen de productieven echter, meer en meer mensen gaan met pensioen en komen in de zorg terecht. Steeds minder mensen blijven over voor productie van goederen en diensten -de productie gaat richting nul. Iedereen heeft een hoop gespaard, en iedereen heeft het gevoel een flinke appel voor de dorst te hebben op de oude dag. Maar dit blijkt bedrieglijk, omdat er steeds minder productieven zijn, en de prijzen van de steeds schaarsere goederen en diensten exploderen. Uiteindelijk stort deze samenleving in en is al het geld waardeloos. Nominaal is het er nog wel, maar er staat geen economische productie meer tegenover. Dit voorbeeld is extreem, maar niet geheel theoretisch. De gezinnen worden kleiner, en wie in zijn vriendenkring rondvraagt zal vernemen dat economische overwegingen veelal een rol spelen. Het kost eenvoudig tijd en geld om kinderen tot productieve, verantwoordelijke bur-gers op te voeden en de kinderbijslag dekt deze kosten niet. Geestesleven Als geld dus zijn waarde wil behouden, dan moet er in de economie steeds rekening worden gehouden met de verborgen kosten van elke economische productie. Dat zijn de kosten voor het krijgen, |
opvoeden en scholen van kinderen en jongeren die de toekomstige productieven zullen zijn,en tevens het geestelijk bijtanken van de huidige productieven middels bijscholing en cultuur.Wegens gebrek aan een beter woord zullen we dit het geestesleven noemen, het derde maatschappelijke hoofdterrein naast de economie en de staat waarin de geestelijke begaafdheden van de mens worden wakkergeschud en ontwikkeld, en van waaruit de overige samenleving steeds wordt bevrucht. In een moderne samenleving met een gemiddelde productiviteitsstijging van jaarlijks zo'n 1,5%, komt ongeveer de helft van wat een 80-jarige in de loop van zijn leven heeft geconsumeerd tot stand dankzij innovaties die door zijn tijdgenoten tijdens zijn leven zijn ontwikkeld en ingevoerd. Het geestesleven is derhalve een enorme productieve kracht en dit dient in de geldstromen tot uitdrukking te komen. Ter oplossing van dit probleem doet Steiner een voorstel dat revolutionair klinkt, maar dat wel eens zeer eenvoudig en doeltreffend zou kunnen blijken te zijn. Naast de waarde wordt met het (chartale of girale) geld nog een tweede parameter verbonden: de ouderdom. Een nieuw bankbiljet wordt voorzien van een jaartal en is een beperkt aantal jaren geldig. Met een geldig bankbiljet kan normaal worden gekocht, maar als het bankbiljet ongeldig |
De huidige staten hebben de valuta's gemonopoliseerd en doen alsof het geld zijn waarde ontvangt door zijn wettige status (chartaal geld betekent letterlijk: wettig betaalmiddel). Maar dat is onzin, want papier is bijzonder weinig voedzaam. Het geld ontleent zijn feitelijke waarde aan het voorhanden zijn van een productieapparaat dat de betreffende munteenheid wenst te accepteren. Bovendien geldt het principiële punt dat, net zoals associaties vrije scheppingen van producenten en consumenten zijn, ook munteenheden vrij ingesteld zouden moeten kunnen worden. De staat dient geen valuta wettelijk op te leggen of een bevoorrechte status te geven. Waar-schijnlijk zal het economisch leven tenderen naar een klein aantal valuta, maar als er met één valuta door bepaalde instellingen of personen gerommeld wordt, dan is het economisch rationeel wanneer de anderen zich afscheiden en een andere valuta kunnen gebruiken zodat zij bijvoorbeeld niet in een inflatiegolf worden meegezogen. Dat kan nu niet of moeilijk. Door de status van de euro als wettig betaalmiddel, die geheel vanuit de staat tot stand is gekomen, |
|
|
pagina 5 van 6 |
|
|
komen, zijn Nederlanders min of meer gedwongen haar als algemene munteenheid te gebruiken, ook al worden we daardoor met allerlei onverantwoorde lijke lieden in één bootje gedwongen. De Amerikaanse superbelegger Warren Buffett noemt derivaten (afgeleide beleggings-'producten' zoals opties, futures en swaps) 'financiële massavernietingswapens'. Het moet mogelijk zijn voor consumenten en bedrijven om te opteren voor een valuta die niet permanent door dergelijke 'financiële producten' wordt ondermijnd. Stuntende banken en hedgefonds moeten niet de facto opereren onder een staatsmonopolie. En hier hebben we het zoveelste voorbeeld van de verborgen rol die de staat speelt bij de huidige kredietcrisis.
Conclusie In dit verhaal wordt geleidelijk een onderscheid duidelijk tussen wat je ruwweg het kapitalisme en een associatieve vrije markt kan noemen. In het kapitalisme streeft de heersende klasse ernaar om anderen voor zich te laten werken. Er wordt een prestatie opgeeist zonder een tegenprestatie te geven, ook al wil de kapitalist graag de schijn wekken dat hij wel een prestatie levert. Echter, de ondernemer is de echte geestelijk productieve persoon in de economie, in samenwerking met zijn medewerkers. De ondernemer kan daarbij vreemd vermogen nodig hebben, maar aangezien elke euro gelijk is, maakt het niets uit van wie en waar hij dit geld krijgt, als de voorwaarden maar billijk zijn. De kapitaalbezitter doet niets wat een ander ook niet kan. De kapitaalbezitter leent zijn geld juist uit aan de ondernemer omdat de eerste zelf niet het vermogen of de motivatie heeft om het geld vruchtbaar te maken. Dus leent hij het uit aan iemand die dat wel heeft: de ondernemer
Een kapitalitisch systeem is daarom afhankelijk van het inroepen van de staatsmacht om zijn privileges en monopolies te handhaven.Een authentieke markt tendeert altijd naar het uitruilen van prestaties
|
met gelijkwaardige tegenprestaties. Deze wederkerigheid is de natuurlijke vorm van de economie. Alleen als er sprake is van een win-win-situatie, zal de transactie tot stand komen. We hebben gezien dat de staatsmacht in een kapitalistisch systeem zich vooral op twee oneigenlijke paden heeft begeven.Ten eerste het mogelijk maken van het verhandelen van grond, terwijl de grond niet door mensen geproduceerd is en zij dus de grond als zodanig ook niet kunnen bezitten.Ten tweede het creëren van een wettelijk monopolie voor één bepaalde munteenheid, en daarmee deels ook van het financiële systeem dat met die munteenheid samenhangt. Er is nog een derde factor, de arbeid, die we hier buiten beschouwing laten. De drie klassieke productiefactoren zijn duidelijk herkenbaar: natuur, kapitaal en arbeid. Zij zijn naar hun wezen geen economisch goed maar worden door het kapitalistisch systeem wel tot verhandelbaar goed gemaakt. Dit is een belangrijk kenmerkend onderscheid (hoewel niet het enige) tusen kapitalisme en een authentieke markteconomie.
Het is veelzeggend dat Steiner in zijn boek Wereldeconomie waarschuwde dat als wij het geld niet zouden beteugelen door het te laten verouderen, zich geldwolken in onze economie zouden gaan vormen die zich bij uitstek in de grond ophopen.Dat is precies wat er is gebeurd in de financiële crisis.
Zonder de staat is het kapitalisme machteloos. Als de staat werkelijk een tegenstander was van het kapitalisme, dan hadden de politici haar in 2007 eenvoudig wereldwijd kunnen laten instorten. Maar het is veelzeggend dat de belangrijkste maatregel die de politici hebben genomen om de crisis te bestrijden, een verdere stap is op de weg van het staatskapitalisme.De financiële reddingsoperatie om de banken overeind te houden, bood ten gronde geen enkele oplossing: de schulden die de Amerikaanse huizenbezitters hadden, zijn uiteindelijk alleen maar verplaatst via de internationale banken naar
|
de diverse staten en van daaruit naar de belastingbetalers. Het biedt de banken een vrijbrief om straks weer grote risico's te nemen omdat de staten, als puntje bij paaltje komt, hen toch wel redden. We moeten toe naar een zelfstandige economie die daadwerkelijk in alle opzichten losstaat van de staat. Dat zal leiden tot minder crises, en als er dan toch crises komen, dan moeten degenen die hun billen branden maar op de blaren zitten. Met dank aan Dr. Jos Verhulst (Antwerpen) en Dr. Christopher Houghton Budd (Canterbury, www.cfae.biz) voor enkele vruchtbare uitwisselingen. Literatuurverwijzingen:
Eckhard Behrens,'Wie liefe es mit alterndem Geld?' Das Goetheanum, nr. 38, 2007. Ben Bernanke,'The global saving glut and the US current account deficit'.Toespraak voor deVirginiaAssociation of Economics, 10 maart 2005, http://www.bis.org/review/r050318d.pdf
Christopher Houghton Budd, Of wheat and gold.Thoughts on the nature and future of money. Canterbury: New Economy Publications, 1996 [1988].
Christopher Houghton Budd, Edge funding. Finance at the threshold of the future. Londen: Gower, nog te verschijnen.
Jos Defoort, Het grote geld. Keerpunten in de monetaire geschiedenis. Leuven:Van Halewijck, z.j.
Ewald Engelen en Martijn Konings,'Staatskapitalisme is terug in Europa'. DeVolkskrant, 29 september 2008.
Howard Holden,'Long history of land surges', Farm Management, juni 2008.
Egbert Kalse en Daan van Lent, Bankroet. Hoe bankiers ons in de ergste crisis sinds de Grote Depressie stortten. Amsterdam/ Rotterdam: Prometheus/NRC, 2009.
Egbert Kalse, 'Banken moeten failliet kunnen gaan'. NRC Handelsblad, 2 februari 2008.
Paul Krugman,'Crisis? We hebben teveel gespaard', DeVolkskrant, 4 maart 2009.
Bernard Lietaer, Het geld van de toekomst. Een nieuwe visie op welzijn, werken en een humanere wereld. Amsterdam: Forum, 2001.
Rudolf Mees. Een andere kijk op geld. Zeist: Christofoor, 1986.
Rien Meijer,'Belegger bakt er niets van'. DeTelegraaf, 2 april 2007.
Willem Middelkoop. Als de dollar valt.Alles over de kredietcrisis. Amsterdam: Nieuw Amsterdam, 2007.
Tobias Reijngoud. Het nieuwe bankieren.De duurzame oplossingen van bankier Peter Blom. Utrecht/Antwerpen: Kosmos Uitgevers, 2009.
Steve Sailor,'The diversity recession', Takimag.com, 22 juni 2008
Hans Georg Schweppenhäuser, Das Kranke Geld.Vorschläge für eine soziale Geldordnung von Morgen. Stuttgart: Radius, 1971.
Rudolf Steiner, Wereldeconomie [vert. van National-Ökonomischer Kurs]. Rotterdam: Hesperia, 1986 [1922].
Dieter Suhr, Alterndes Geld. Das Konzept Rudolf Steiners aus geldtheoretischer Sicht. Schaffhausen: Novalis, 1988.
|
|
|
pagina 6 van 6 |
|
|
Laatst aangepast op donderdag, 29 april 2010 00:06 |
|