|
Alleen plattelanders ervaren nog wat een provincie is De provincie is een ‘ijle luchtlaag’
Door Dick van Niekerk Het wisselende uitslagenbeeld dat de jongste Statenverkiezingen voor de regionale partijen opleverde heeft volgens Alfons Dölle, bijzonder hoogleraar decentrale overheden aan de Rijksuniversiteit Groningen, veel te maken met de ‘formatieperikelen’ in Den Haag. ‘Daardoor was de aandacht steeds gericht op CDA en PvdA, en kwamen regionale aspecten amper over het voetlicht. Dat is natuurlijk funest voor partijen die specifieke regionale items in hun programma hebben. Alleen de FNP in Friesland en de Partij van het Noorden In Groningen hebben zich daaraan kunnen ontworstelen. Maar die hadden dan ook specifieke items: het verzet tegen de zweeftrein en een speciale positie voor het noorden in de Haagse politiek.’ Beginselen De opkomstpercentages waren laag. Er waren ook aanmerkelijke regionale verschillen in opkomst: Friesland, Groningen en Drenthe ver boven het landelijk gemiddelde; Brabant en Limburg stevig daaronder. Dölle: ‘In de noordelijke provincies stemt men nog op beginselen: christelijke, socialistische of liberale. Dat leidt tot een hogere opkomst. In de rest van het land is die beginselvastheid minder en stemt men meer op personen. Bovendien is het provinciegevoel in het noorden veel sterker. Men is Fries, Drent of Groninger. De provincie waartoe je behoort, is een stukje van je identiteit. In bijvoorbeeld Overijssel liggen zulke zaken veel diffuser. Daar ben je een Twent of een Sallander, maar niemand noemt zich Overijsselaar. En heeft u wel eens iemand gesproken die zich Noord-Hollander voelde? ’ ‘Wat ook kan meespelen is dat de regio-indeling in het noorden provinciegewijs gaat: dus bijvoorbeeld politie Friesland, maar elders gaat het streeksgewijs dus bijvoorbeeld politie Gooiland, Amstelland of Rijnmond. ‘Brabanders en Limburgers hebben ook een vrij sterk provinciegevoel. Maar bij hen komt er iets anders bij: plaatselijke partijen zijn populairder dan regionale. De kiezers in een dorp komen wel om te stemmen op bijvoorbeeld de lijst – Jansen, maar voor regionale belangen is hun belangstelling een stuk minder.’ ‘En dan is er nog iets: het bestuursorgaan de provincie leeft in het noorden veel sterker dan elders. De plattelanders weten wel degelijk wat het belang is van de provincie. Daar hebben ze bijna dagelijks mee te maken. Of het nu gaat over busvoorzieningen of waterwegen, over grondwater of over recreatievoorzieningen. Ze moeten ook regelmatig vergunningen van de provincie hebben. Op die manier hebben ze veel meer zicht op wat een provincie doet.’ Klokkenluidersfunctie ‘Stel daar de gemiddelde stedeling in Amsterdam, Rotterdam of Groningen eens tegenover. Die hoeft vrijwel nooit op het provinciehuis te zijn. Wel regelmatig op het gemeentehuis als het gaat om trouwen, geboorte, subsidieaanvragen enzovoorts. Voor een stedeling is het moeilijk zichtbaar te maken wat een provincie doet. De provincie is voor hem of haar niet meer dan een ijle luchtlaag, ergens ver weg. De provincie zal voor dergelijke mensen pas echt gaan leven als zij een uitbreiding van beslissingsbevoegdheden krijgt over onderwerpen die er voor de burger wezenlijk toe doen. Maar in praktijk is men daarvoor toch uiterst beducht. Bang als men is dat er te veel ongelijkheid gaat bestaan. We moeten het ambtelijk apparaat van de provincie bovendien ook niet overschatten. Bij ons hier heeft de stad Groningen meer ambtenaren in dienst dan de provincie Groningen!’ Ondanks de matige uitslag is Dölle positief over de toekomst van vooral lokale partijen: ‘Die hebben een belangrijke klokkenluidersfunctie. Ze ageren vaak tegen de plaatselijke politieke elite die volgens hen te veel op het gemeentehuis bij elkaar zit en die niet meer verstaat wat er werkelijk op de politieke agenda hoort. In deze tijd van ontideologisering gaat het steeds meer draaien om aansprekende personen en die hebben de lokale partijen meestal in de gelederen. Ik vind het een verdienste van de lokalen dat door hun activiteiten steeds meer mensen betrokken raken bij de plaatselijke politiek en zich daarvoor ook willen inzetten.’ Voorlichting Fons Zinken, tot 11 juli 2003 fractieleider van de PNL in de Limburgse Staten, beaamt dat lokale politiek de mensen in het zuiden meer aanspreekt dan regiopolitiek. ‘Maar ik ben er zeker van dat regionale aangelegenheden ook meer belangstelling zouden trekken, als de talrijke misverstanden die daarover bestaan, zouden worden opgeruimd. In de beleving van de mensen worden alle belangrijke regionale aangelegenheden in Den Haag beslist. Voor een partij als de PNL is dat iets dat ons af en toe flink dwarszit. Kijk hier in Limburg bijvoorbeeld eens naar de problematiek rond de Grensmaas. Die houdt de gemoederen flink bezig en het is een uiterst belangrijke provincie-aangelegenheid. Maar de meeste mensen gaan ervan uit dat het om een landelijke zaak gaat.’ ‘Neem de subsidies voor maatschappelijke organisaties ook eens onder de loep. Dat onderwerp leeft in Limburg heel sterk. Het komt in de pers amper over dat dit een provinciezaak is. Daarom hamer ik ook steeds op goede voorlichting. Nog een voorbeeld: op de verkiezingsdag sprak ik met een jongen die voor het eerst ging stemmen. Ik heb op Jan Peter Balkenende gestemd, zei hij tegen mij. Die heb ik hier nog nooit in de Staten gezien, was mijn antwoord. Pas na lang praten kreeg hij door dat het om een heel andere bestuurslaag gaat en om heel andere mensen.’ Belangenverstrengeling De verkiezingsuitslag is volgens Zinken sterk be_nvloed door ‘het gerotzooi’ in Den Haag. ‘De kabinetsformatie werd gewoon een tijdje op een zacht pitje gezet zodat er voor de Staten precies hetzelfde werd gestemd als enkele weken eerder voor de Tweede Kamer.’ ‘Dit heeft voor de PNL onprettige gevolgen gehad maar ook voor de FNP en de Partij van het Noorden want de winst had daar nog veel groter kunnen zijn.’ Zinken steekt bij de teleurstellende uitslag van de PNL – van zes naar twee zetels - ook de hand in eigen boezem: ‘Het landelijke beeld van stabilisatie van de regionalen had in feite vooruitgang moeten opleveren. We gaan met z’n allen energiek terugkrabbelen. We zullen veel meer moeten gaan inzetten op de moedwillige belangenverstrengelingen in de politiek en op de ongebreidelde machtscentra die daarvan het gevolg zijn!’ Lokale kandidaten ‘In het zuiden zijn lokale partijen veel meer verankerd in de politiek dan elders,’ heeft auteur Ron van Wonderen vastgesteld tijdens de research voor zijn eind 2002 verschenen boek ‘Couleur Provinciale’. ‘Dat heeft niet alleen te maken met het feit dat de traditie van provinciale partijen daar al heel wat ouder is. Het komt ook door de vroegere monocultuur van de gewezen KVP. Die stond toe dat er lokale partijen ontstonden want op die manier kon de KVP de plaatselijke tegenstellingen tussen werkgevers en werknemers camoufleren of buiten de deur houden. Dat leidde er toe dat lokale aangelegenheden in de politiek veel sterker tot de verbeelding spraken dan regionale of nationale.’ ‘Daarom beschouw ik de terugval van bijvoorbeeld de PNL ook als een tijdelijke. Als de PNL weer consequent met plaatselijke mensen campagne gaat voeren – en het doet er niet toe of die op plaats twee of op plaats dertig staan – zal zij zich zeker herstellen. Kijk bijvoorbeeld naar Gulpen waar een lokale kandidaat actief campagne voerde en waar een goede uitslag is geboekt. In mindere mate geldt het zelfde overigens voor Brabant.’ Inhaalslag ‘Het is nog steeds zo dat lokale partijen juist in het zuiden beter gedijen. De rest van het land heeft wat dat betreft nog een inhaalslag te maken. Daarbij hebben regionale partijen het natuurlijk makkelijker in provincies waar een sterk regiogevoel bestaat. In de andere provincies zullen ze wat meer tijd nodig hebben om voet aan de grond te krijgen.’ ‘Ik geloof dat de formatie geen rol heeft gespeeld in de uitslag voor de regionalen. Veel meer hebben ze last gehad van het alom bekende leefbaar–debacle, vooral omdat sommige groeperingen zich ook in naam daarmee hadden verbonden. Een typisch voorbeeld daarvan is Leefbaar Gelderland / De Groenen. Cor Nouws heeft het de afgelopen jaren goed gedaan in de Gelderse Staten; ze hebben een goeie campagne gevoerd en toch is prolongatie van die ene zetel net niet gelukt.’ ‘Er hebben echter nog nooit zoveel provinciale partijen meegedaan aan de statenverkiezingen. Ik blijf daarom optimistisch over de toekomstmogelijkheden. En dan denk ik ook aan de groeperingen die het net niet gehaald hebben in Noord- en Zuid–Holland, Utrecht en Gelderland. Die hebben stuk voor stuk goede campagnes gevoerd en zich helder geprofileerd. Als ze rustig de tijd nemen om zich te organiseren en zich eventueel met behulp van de OSF te scholen, dan kunnen ze over vier jaar wel degelijk succesvol zijn.’
|