Home Locomotie 23 Wat maakt ons ziek?
Wat maakt ons ziek? | Afdrukken |  E-mailadres
Locomotie 23
vrijdag, 30 november 2007 09:38
Boeken

Wat maakt ons ziek?

door Helene Stafleu

Het begrip ‘diagnose van de samenleving’ wordt door Westerse tropenartsen gebruikt met betrekking tot gezondheidsproblemen in andere culturen. Het kan echter net zo goed toegepast worden op ons eigen land.

Dit is het uitgangspunt van Reinier van Eijk, epidemoloog en zelf jarenlang werkzaam als arts in de tropen. Hij schrijft dat hij bij terugkeer in Nederland dacht ‘dat Nederlanders een goede gezondheid hebben, goede levensomstandigheden en goede arbeidsomstandigheden’ en dat er dus weinig arbeidsongeschiktheid zou zijn. Het tegendeel bleek echter waar. Ziekteverzuim door arbeidsongeschiktheid is in ons land een epidemie. In de jaren 1980-1989 werkte de auteur in de bedrijfsgezondheidszorg in het noorden van Nederland en in de 4500 spreekuurcontacten die hij had, ligt de oorsprong van dit boek.

Een epidemoloog kijkt naar culturele factoren die ten grondslag liggen aan gezondheidsproblemen. Deze worden door mensen vaak niet als ziekteverwekkend herkend, omdat ze tot het gewone leefpatroon behoren. Dit boek wil een diagnose van onze samenleving geven, om tot een goede therapie te kunnen komen tegen arbeidsongeschiktheid of, zoals het boek preciseert, taakongeschiktheid. Iemand is namelijk niet ongeschikt om te werken in algemene zin, het gaat altijd om een specifieke taak in een bepaalde context.
Taakongeschiktheid treedt op als iemands draaglast zijn of haar draagkracht te boven gaat. Van Eijk betoogt nu dat onze draagkracht permanent belast wordt door culturele factoren. Hij noemt de grote werkdruk, tempodwang, toegenomen mobiliteit, de low trust society, democratisering, individualisering, secularisatie en de informatie-explosie. Dit alles leidt tot geestelijke belasting. Onze zintuigen zijn overprikkeld en onze geest kan het gewone leven maar amper aan. Geen wonder dat er dan maar iets hoeft te gebeuren, of de draadjes branden door, met als gevolg een burn out.

Epidemie van taakongeschiktheid
De epidemie van taakongeschiktheid moet bestreden worden door veranderingen in de samenleving. De auteur bekritiseert de standaardbenadering vanuit de politiek, namelijk: verbetering van de ARBO-zorg en van de arbeidsomstandigheden. Dit helpt uiteindelijk niet, omdat het de oorzaken van het probleem niet wegneemt die immers in onze cultuur besloten zijn. Een ander middel waar men steeds naar grijpt is het aanscherpen van de criteria voor het krijgen van een WAO-uitkering. Dit leidt uiteraard tot een afname van het aantal mensen dat in de boeken als ‘arbeidsongeschikt’ wordt bijgeschreven, maar niet tot een afname van het aantal arbeidsongeschikten. Ze heten nu alleen anders, bijvoorbeeld ‘werkeloos’ of ‘bijstandbehoevend’. Wat werkelijk nodig is, is een cultuuromslag. Minder haast, meer vertrouwen, meer regelmaat, minder prestatiedrift en beperking van mobiliteit en tv kijken.

Van Eijk heeft een wetenschappelijk boek willen schrijven dat ook voor leken begrijpelijk is en het is bijzonder knap dat hem dat gelukt is. Het boek is helder, de geschetste problemen zijn herkenbaar en vinden direct hun echo in het persoonlijk leven van de lezer. Aantrekkelijk is ook dat het boek een cultuurkritiek is, een reflectie op ons leven in onze tijd.
Dat maakt het echter ook tot een discutabel document. De auteur verlaat zich wel erg sterk op zijn intuïtie en deze is conservatief van aard. Echtscheiding is verkeerd, secularisatie is verkeerd en jonge kinderen naar de crèche brengen ook, terwijl uit het onderzoek dat hij aanhaalt blijkt dat crèche-bezoek ook gunstige effecten heeft (pag.176). Wie zichzelf de vrije hand geeft om onderzoeksgegevens te interpreteren, praat ze licht naar zijn eigen conclusies toe. Het is belangrijk hier kritisch te zijn. De auteur haalt een onderzoek aan waaruit blijkt dat het gemiddelde angstniveau onder jongeren tussen 1952 en 1993 aanzienlijk is toegenomen (pag.174). Maar hierbij moeten we toch aantekenen dat angstgevoelens heden ten dage sociaal geaccepteerd zijn, terwijl ze dat in 1952 beslist niet waren, toen we allemaal een flinke jongen moesten zijn of een flinke meid.

Keuzevrijheid: een last?
De verhoudingen tussen mensen zijn veranderd en de toename van de mentale draaglast is daar een effect van. Maar van Eijk lijkt iedere verandering een verzwaring te vinden. Zouden de genoemde veranderingen niet ook een verlichting zijn geweest van de mentale draaglast? Denk eens aan de last om je altijd te conformeren aan de burgerlijke samenleving, waarin afwijkingen van de norm niet worden getolereerd. Of aan de last van het steeds moeten inslikken van je trots, omdat je in een rangen- en standenmaatschappij leeft en niet tot de hoogste klasse behoort. Van Eijk is hier stellig: keuzevrijheid is een last, juist het gareel gaf ons geestelijke rust.
Zo ziet hij ook de toenemende mobiliteit als potentieel ziekmakend. Meer verplaatsing betekent dat er meer geestelijke aanpassing nodig is aan telkens andere omstandigheden en andere mensen (pag.157). De mentale belasting is groter, dus het risico voor overbelasting ook. Maar belasting betekent ook training. Het houdt je tot op zekere hoogte soepel en scherp. Van het wegnemen van fysieke belasting zijn we beslist niet fitter geworden. Zou zoiets niet ook gelden voor mentale belasting?

Problematisch aan deze studie is, dat ze een ontwikkeling bekritiseert die onstuitbaar is begonnen op het moment dat de eerste mens het vuur voor zichzelf ging gebruiken. Technologische ontwikkelingen volgen elkaar steeds sneller op, de mens kan dingen die hij voorheen niet kon en de wereld wordt kleiner. Dat is psychisch niet altijd bij te benen. Toen rond 1850 de trein zijn intrede deed in onze wereld, meende men dat het leven zo hectisch was geworden dat het ziekmakend was. Juist dat tijdperk komt ons nu voor als een oase van heilzame rust.
Tegen de almaar toenemende complexiteit is ook altijd een tegenbeweging gaande, waarvan dit boek een exponent is, die zegt: neem eens even afstand, stap uit de maalstroom, het kan ook eenvoudiger. In het persoonlijk leven is zo’n overweging heel gezond maar voor het beleid is ze hooguit bruikbaar als kritische noot, als relativering. Niet als basis voor een programma want ze ontkent de werkelijkheid. Onze samenleving wordt nu eenmaal steeds complexer. Het eind van de communicatierevolutie is nog niet in zicht, het vermogen om continu wereldwijd met elkaar in contact te staan leidt ertoe dat wij een heel andere diersoort worden dan de mens eeuwenlang was. Het is een evolutionair proces en de mens die daarvan ziek wordt, is de oude mens.

Het laatste woord, een weerwoord hiertegen, laat ik echter aan van Eijk (pag.189): “dit is de eenzijdige, egocentrische redenering van taakgeschikten, van ‘tevredenen’. Het bestaan van 900.000 arbeidsongeschikten die niet aan ‘de eisen’ kunnen voldoen, zou het vertrouwen in deze gedachtegang moeten schokken. Gezonden kennen gezondheid, zieken kennen ziekte èn gezondheid. Hun kijk op de werkelijkheid kan dus completer zijn.’’
Een bijzonder boek, interessant voor iedereen die te maken heeft met ziekte en gezondheid, dus interessant voor iedereen.

R. van Eijk: Diagnose van een samenleving
Van Gorcum
216 pagina’s , E 30,-