Home Locomotie 23 Jongens doen het nooit goed
Jongens doen het nooit goed | Afdrukken |  E-mailadres
Locomotie 23
vrijdag, 30 november 2007 09:57
Jongens doen het nooit goed
door Helene Stafleu

Wat is er aan de hand in onze samenleving waar vandalisme, criminaliteit en geweld toenemen, althans onder jongens? Waar Marokkanen de straat onveilig maken, althans, de Marokkaanse jongens? Waar steeds meer leerlingen, dat wil zeggen jongens, het op school niet redden? Op de universiteiten zijn de meeste studenten vrouw en er werken meer vrouwen dan ooit in dit land. Dat meisjes succes hebben is duidelijk, maar wat is er toch met de jongens?

Op de bijeenkomst van het platform ‘jongens in balans’, op 7 november 2003 in Amsterdam, werd duidelijk dat onze cultuur van dit moment de ontwikkeling van jongens soms in de weg staat. Dat begint al op school als ze kleuters zijn. Uit onderzoek blijkt dat jongens veel meer aandacht krijgen dan meisjes, maar waar meisjes worden bevestigd en bemoedigd, worden jongens vooral bekritiseerd en gecorrigeerd. ‘Zit stil, doe eens een beetje rustig, doe voorzichtig…’, krijgen ze te horen. Lauk Woltring, adviseur vanuit het bureau 'Werken met jongens' en docent aan de Hogeschool van Amsterdam: ‘Ons onderwijs leidt op tot rust, orde en netheid. Het is gericht op beheersing en communicatieve vaardigheid en daar zijn meisjes goed in. Alles moet zorgvuldig, precies en harmonisch maar daarmee kunnen de jongens niet uit de voeten.’

Polderen is niet mannelijk
Het platform ‘Jongens in balans’ bestaat sinds 2000. Het is een bundeling van mensen die werken in het onderwijs, de sport of de jeugdhulpverlening. Het wil ‘door contact te maken met de kwaliteiten van jongens en hierbij rekening te houden met hun ontwikkelingsbehoeften, eraan bijdragen dat het zelfvertrouwen, de betrokkenheid en het perspectief van de jongens groeit’. Het platform organiseert bijeenkomsten waar informatie wordt uitgewisseld en de deskundigheid van de deelnemers wordt versterkt.
Jan Kallenbach, docent martiale bewegingskunsten en zelfverdediging aan de Academie voor Lichamelijke Opvoeding schetst het beeld als volgt: ‘Jongens zijn nog in de groei, hun fijne motoriek moet zich nog ontwikkelen. Er zit altijd massa, snelheid en ruimtegebruik in hun beweging -bij een jongen waarbij dat niet zo is, ga je je zorgen maken!- wij hebben echter een wel heel bijzondere nationale cultuur namelijk het polderen. Dat betekent: niet voor jezelf opkomen. Alles moet verbaal worden opgelost. We verwerpen fysieke agressie en we kunnen er niet mee omgaan als het onverhoopt toch tegen ons gebruikt wordt. Je ziet ook dat Hollandse jongens het op het schoolplein afleggen tegen jongens van buitenlandse afkomst. Die vechten namelijk nog wel. Holland heeft zijn martiale traditie verloren: vroeger stonden schermen en boksen in hoog aanzien in ons land, maar alle martiale sporten die hier nu nog beoefend worden, zijn uit het verre oosten geïmporteerd.’

Overal vrouwen
Er spelen ook andere factoren een rol. Jongens hebben behoefte aan een man als voorbeeld en als coach maar mannen, daar ontbreekt het aan in hun leven. Kinderen zien tot –pakweg- hun tiende jaar alleen maar vrouwen om zich heen. De vader werkt en is weinig thuis, of heeft problemen waardoor het huwelijk strandt, waarna hij uit zicht verdwijnt. Ook buiten het gezin komen jongens weinig mannen tegen. Sportclubs verdwijnen, er is geen verenigingsleven meer, familierelaties zijn losser en in de buurt is er onderling geen contact meer.
Het is in dit verband een probleem dat het lager onderwijs de afgelopen decennia enorm is vervrouwelijkt. Lauk Woltring: ‘De kweekschool van de jaren zestig werd voor 50 % door mannen bevolkt. Waar het vak van onderwijzer voor arbeiderskinderen nog een middel was om sociaal te stijgen, heeft het tegenwoordig geen status meer. Je krijgt geen lease-auto als leraar en je kunt geen carrière maken.’
Voor de mannen die wèl in het basisonderwijs werken is de vervrouwelijking ook een probleem, omdat zij zich niet prettig voelen in een vrouwelijke cultuur. Zoals een van de deelnemers aan het symposium verwoordde: ‘Mannen in het basisonderwijs worden knettergek van alle vergaderingen. Ze willen aanpakken en niet alles voor- en nabespreken.’ Een andere man vult aan: ‘Het is vermoeiend voor een man om tussen de vrouwen te zitten want die zijn zo vreselijk serieus. Als vrouwen praten moet het altijd ergens over gaan. Terwijl je als man af en toe slap ouwehoeren wil over helemaal niks.’

Aandacht voor de zorgende man
De botsing van vrouwelijke en mannelijke cultuur blijkt voor meer problemen te zorgen. Een man vertelt: ‘wanneer je als man met jonge kinderen werkt heb je een andere benadering, je gaat anders met kinderen om. Vrouwen zijn veel voorzichtiger en zien overal gevaren. Als ik een kind in een boom zie klimmen denk ik: probeer het maar, val maar. Ik zal je niet dood laten vallen maar ik laat je wel je eigen grenzen ontdekken. Hierin word ik voortdurend gefrustreerd door vrouwelijke collega’s die dat onverantwoord vinden.’ Hij betoogt dat je als man tussen de vrouwen stevig in je schoenen moet staan en moet laten weten dat jouw eigen inbreng ook wat waard is.
Netwerken van mannen die werken met jongeren, zoals het platform jongens in balans dragen daar aan bij. Een van de conclusies van het symposium luidde dan ook dat er meer aandacht moet komen voor de mannelijke hulpverlener. Als het hulpverlenen en zorgen door mannen gepromoot wordt, is er al veel gewonnen.
De jeugdhulpverlening van dit moment richt zich op de jongeren die al ontspoord zijn. Maar één jongerenwerker in de wijk levert voor hetzelfde geld veel meer op dan iemand die werkt in een gesloten inrichting. De eerste bereikt tweehonderd jongeren, terwijl de laatste heel veel energie besteedt aan heel weinig jongeren en vaak ook nog zonder resultaat. Er wordt ontzettend veel geld besteed aan een paar ernstige gevallen, terwijl de oorzaak van de problemen met jongens niet aangesproken wordt.

Wat deze samenleving nodig heeft, is dat er meer mannen komen in het leven van de opgroeiende jongen. Zo was de conclusie van deze bijeenkomst. In de eerste plaats moet alles erop gericht zijn het contact met de vader te houden, ook na een echtscheiding of wanneer er sociale problemen zijn rondom het gezin. Verder moet sporten gestimuleerd worden en buurt- en jongerenwerk. In het onderwijs moet plaats zijn voor de specifieke behoeften en talenten van jongens. Scholen moeten de vrije natuur in trekken. Sport, muziek, drummen, scooter rijden, dat soort dingen moet een plaats krijgen. Want zonder jongens of meisjes te reduceren tot alleen hun jongen of meisje zijn, is het goed om bij de vorming oog te hebben voor hun eigen kwaliteiten.