|
Een heldere basis voor politiek |
| Afdrukken | |
E-mailadres |
|
Locomotie 23
|
|
vrijdag, 30 november 2007 09:59 |
|
Kennismaking met senator ten Hoeve
Een heldere basis
voor politiek
door Helene Stafleu
In het stijlvolle gebouw, waar de burger in beschaafder tijden zo kon binnenlopen maar waar nu twee beveiligers de wacht houden en de bezoeker bijkans gefouilleerd wordt, vergadert de Eerste Kamer. Op de publieke tribune zit een journalist van het Financieel Dagblad, maar verder is het er leeg en ademt deze kamer de rust waar ze om beroemd is. Senator ten Hoeve is er te vinden op elke dinsdag waarop er vergaderd wordt. Hij staat mij te woord in de kleine fractiekamer die aan de OSF is toebedeeld. Hier komt maar zelden iemand, want de voorbereiding op de vergaderingen geschiedt thuis. Daar komen ook de pakken papier binnen. Af en toe is er overleg met fractiemedewerker Michiel van Harten maar in Den Haag moet ten Hoeve het allemaal zelf doen.
Hoe is het om eenpersoonsfractie te zijn?
“Het is onmogelijk om alle terreinen te bestrijken. Je maakt keuzes, maar dan nog is het teveel. Ik kies een paar wetsontwerpen uit waarin ik me verdiep. Daarbij probeer ik mijn keuzes aan te laten sluiten bij het belang dat mijn achterban heeft: binnenlandse zaken, ruimtelijke zaken en ook sociale zaken omdat gemeenten hierbij vaak tegen de uitvoering aanlopen. Ook richt ik me op Europese kwesties omdat dat in het verlengde ligt van mijn visie op lokaal bestuur. Ik heb intensief contact met de fractie van D66 die drie zetels heeft. De FNP heeft vanouds banden met D66. Ik denk dat deze partij het meest bij ons aansluit. Wij nemen ook voor elkaar waar en spreken soms voor elkaar.”
Sociale zaken zijn dus een aandachtsgebied. Wat is de mening van de achterban over deze kwesties?
“In wezen is het vertegenwoordigen van de OSF over de hele linie een lastige zaak omdat ze geen partij is en dus ook geen partijprogramma heeft. Maar ik ga ervan uit dat er een aantal dingen zijn waar je het als OSF over eens kan zijn. In de eerste plaats is dat het federalisme, dus de noodzaak van decentralisatie, de beslissingsmacht moet bij de mensen zelf liggen. Ten tweede denk ik dat we het eens kunnen zijn over de noodzaak van een degelijk economisch beleid. Je moet financieel de zaken op orde hebben. Dan zijn er nog kwesties van ruimtelijke ordening en daarbij is de vraag: wie neemt de beslissingen, Rijk, provincie of gemeente?”
Zou het wenselijk zijn als de aangesloten partijen een gezamenlijk programma van uitgangspunten formuleerden?
“Ik zou er inderdaad naar willen streven dat er een gedachtegoed ontwikkeld wordt. Het is eigenlijk beschamend dat je alleen om financiële redenen bij elkaar blijft. Fractieoverleg, zoals nu regelmatig plaatsvindt, kan ons dichter bij elkaar brengen.
Tussen partijen onderling moet er meer contact komen. Zoiets moet uitgaan van de partijen zelf.
Elke politieke partij wil z’n invloed vergroten. Dat is voor ons allereerst invloed in de eigen regio maar zoiets kan ondersteund worden door een sterke landelijke vertegenwoordiging. Daarvoor moet wèl het politieke gezicht van deze stroming worden uitgebouwd. Hoe dat eruit zal zien? Je zult als regionalistische partij niet in extremen terecht komen. Je moet constateren dat D66 ons daar heel ver in volgt, we staan heel dicht bij elkaar. Wij functioneren natuurlijk anders want onze partijen zijn het gezicht van de regio, of zouden dat kunnen worden.
We moeten een visie ontwikkelen die zich baseert op het goed recht van provincies of misschien zelfs landsdelen, als er van binnenuit een verlangen is tot samenwerking. Hoe duidelijker de visie wordt, hoe aantrekkelijker het voor partijen wordt om deel te nemen. Regionalisme is een heldere basis voor politiek. Er zijn zeker in Zeeland, Brabant en Limburg goede mogelijkheden voor.’’
|