Home Locomotie 25 Persoonlijke vrijheid is van groot belang
Persoonlijke vrijheid is van groot belang | Afdrukken |  E-mailadres
Locomotie 25
maandag, 03 december 2007 12:46

Verplicht thuis Nederlands spreken past niet bij de OSF
Persoonlijke vrijheid is van groot belang

door Hendrik ten Hoeve
 
De algemene beschouwingen in de Senaat vielen juist in de periode vlak na de moord op Theo van Gogh en de brandstichtingen in scholen, moskeeën en kerken. De manier waarop wij in dit land met elkaar omgaan en de eisen die wij daarbij aan elkaar stellen waren dus onderwerpen waar niemand omheen kon lopen.

Algemene beschouwingen lenen zich er voor om juist die punten aan de orde te stellen die voor onze partijen van belang zijn of die specifiek passen in onze denkwijze. Het grootste probleem is dus doorgaans niet om onderwerpen te vinden, maar juist om zo goed mogelijk een keuze te maken uit de veelheid van onderwerpen. De OSF als éénmansfractie heeft maar 15 minuten voor de eerste en tweede termijn samen, en dat is waarachtig niet veel...
Voor onze OSF partijen geldt dat wij nadruk willen leggen op de eigen identiteit van de regio's (dus van de mensen in de regio's) en mede dáárom dus ook dat wij opkomen voor het recht om zoveel mogelijk zelf daarover te beslissen. Ons uitgangspunt voor nieuwkomers in de Nederlandse samenleving is dan natuurlijk allereerst verplichte integratie van alle bevolkingsgroepen: we moeten mét elkaar leven en niet alleen maar naast elkaar. Maar anderzijds zal toch juist voor ons respect voor de eigen identiteit van ieder mens belangrijk zijn en dus een afwijzing van de gedachte dat iedereen precies zo moet worden als wíj zijn. Juist voor ons is dan assimilatiedwang een brug te ver. Dat is een keuze die momenteel niet iedereen bereid is te maken: niet alleen op straat maar ook in de politiek wordt hier en daar gedaan alsof immigranten alle loyaliteit met hun oude vaderland moeten afleggen en zelfs thuis met hun eigen familie eigenlijk verplicht zouden moeten worden om Nederlands te spreken. Zoiets kan gelukkig niet afgedwongen worden, maar dat in de politiek de neiging bestaat om ten behoeve van de integratie de aanval te willen inzetten op de persoonlijke levenssfeer, de eigen identiteit, van Nederlanders van andere afkomst, mocht voor de OSF reden zijn om daarover in de algemene beschouwingen een tegengeluid te laten horen.

Daarnaast was natuurlijk aandacht nodig voor de sociale problematiek. Er is nu (toch nog) een akkoord tussen regering en sociale partners, maar dat betekent niet dat daarmee het laatste woord gezegd is. Zonder in te gaan op alle details in de veelheid van wetgeving die we de laatste tijd gehad hebben en de komende tijd nog zullen krijgen, mag duidelijk zijn dat ook onze partijen niet om de problemen heen kunnen die ontstaan doordat het aantal ouderen zoveel groter en het aantal jongeren zoveel kleiner wordt. De conclusie dat dan door minder werkenden meer moet worden opgebracht om de niet-meer-werkenden te kunnen onderhouden (zowel financieel als wat betreft het werk in ziekenhuizen, verpleeghuizen en thuiszorg) is evident. Er moeten dus maatregelen genomen worden om tot grotere arbeidsparticipatie van jongeren én ouderen te komen. Maar de overheid moet daarbij in de gaten houden dat een maatschappij te snelle aanpassingen slecht verdraagt en dat te veel veranderingen ook door de instanties die ze uit moeten voeren (het UWV bijv.) nauwelijks verwerkt kunnen worden. Daardoor ontstaan fouten waar mensen de dupe van worden (maanden wachten op een uitkering bijvoorbeeld). Daarbij komt dat maatregelen niet alleen op de toekomstige situatie afgestemd moeten worden, maar ook op de huidige. Als op dit moment de werkloosheid zodanig is dat ouderen nauwelijks kans maken op de arbeidsmarkt, dan is het niet zinvol om nu werkloze ouderen onder grote financiële druk te zetten (bijv. door de categorie tussen 50 en 55 jaar niet meer in de IOAW maar in de bijstand te laten instromen) om toch vooral weer werk te vinden. Dat is immers nu een onmogelijke eis, ook al zal dat later wel veranderen. En tenslotte mag de overheid niet de noodzakelijke bezuinigingen zo uitvoeren dat juist de bovenkant van de maatschappij ontzien wordt. De oppositiepartijen schuiven twee maatregelen naar voren waar wij het graag mee eens zijn, namelijk beëindiging van de renteaftrek op de eigen woning en het stellen van een maximum aan de door de belastingen gestimuleerde pensioenopbouw.
De renteaftrek is binnen Europa zo uitzonderlijk, kost de overheid zoveel en komt zo eenzijdig aan bezitters van dure huizen ten goede dat handhaven steeds moeilijker te verdedigen is. En wat de beperking van de pensioenopbouw betreft: uitgangspunt voor het sociale stelsel moet toch zijn dan de overheid verplicht is armoede te voorkomen, niet minder maar ook niet meer. Daarvoor zijn regelingen gecreëerd die het wegvallen van inkomen tijdelijk opvangen, een regeling om voor mensen zonder inkomen een minimum te garanderen (de bijstand) en ook een regeling om, geholpen door de fiscus, voor de oude dag een pensioen te kunnen opbouwen. Dat alles dient er voor om armoede te voorkomen. Wie méér wil (meer pensioen) moet daar dus zelf voor zorgen en daar hoeft de fiscus niet bij te helpen.

De regio's zelf, waar de wortels van onze partijen liggen, moesten ook  in onze algemene beschouwingen aandacht krijgen, dat is de OSF toch verplicht aan haar bijzondere positie. Die aandacht is deze keer in het bijzonder naar het noorden gegaan omdat juist daar een aantal problemen samenkomen die om discussie vragen. Daarbij spelen de Zuiderzeelijn, de stimulering van de regionale economie, het Wad en vooral het Waddengas, maar ook het noordelijke gas in het algemeen en de opbrengsten daarvan een rol. En dat is zoveel bij elkaar dat de discussie daarover in dit blad beter uitgesteld kan worden tot de volgende keer. De bedoeling van dit stuk is natuurlijk om u als lezer bij te praten over wat in de Eerste kamer aan de orde is geweest en dat zal een volgende keer natuurlijk weer de bedoeling zijn. Maar de noordelijke problematiek blijft vast actueel genoeg om daar op terug te kunnen komen.

Hendrik ten Hoeve.