Home Locomotie 28 Wat te doen met mensen die dom, slecht en lui zijn?
Wat te doen met mensen die dom, slecht en lui zijn? | Afdrukken |  E-mailadres
Locomotie 28
woensdag, 05 december 2007 15:35
Boekbespreking

Wat te doen met mensen die dom, slecht en lui zijn?

door Helene Stafleu

Jaren geleden bezocht ik de gevangenis als medewerker van stichting ‘Vrij’, die vrijwillig hulp verleende aan gedetineerden. Wij werden geïnstrueerd om niet naar het delict te vragen, niet te moraliseren en niet te oordelen. Daar waren andere instanties voor, wij waren er om de familie te vervangen die bij deze mensen buiten beeld was geraakt.

Ik weet nog goed dat zo’n jongen –hij zal van mijn leeftijd geweest zijn - tegen me zei: “als ik straks vrij kom moet ik tienduizend gulden hebben, want ik wéét gewoon dat het anders weer mis gaat” Ik wilde wel ontploffen, maar dat mocht niet, want dat was niet mijn taak. Dus trapte ik mijn woede van mij af op mijn fietsje op de lange terugweg van de Bijlmerbajes naar huis, tot ik na een paar maanden besloot dat dit werk was voor iemand met meer geduld en een groter hart dan het mijne.
Moet ik nu blij zijn met de boeken van Thomas Dalrymple? Voor wie het gemist heeft: Dalrymple is het pseudoniem van een Britse psychiater die cultuurfilosofische beschouwingen schrijft op basis van zijn ervaring als therapeut in een achterstandsbuurt. Zijn boek ‘Leven aan de onderkant’ (Life at the bottom) is met instemming ontvangen. Het gevoel van velen werd verwoord. Dat onze cultuur verloedert. Dat “hoge” kunst niet meer op een voetstuk staat. Dat in onze maatschappij het ordinaire, het goedkope, het platte en het criminele verheerlijkt worden: zangers doen alsof ze pooiers zijn, de mode komt rechtstreeks van de wallen en schrijvers, filmmakers en kunstenaars flirten met de onderwereld.
Ondertussen, zo schetst Dalrymple, profiteert de onderklasse zelf van alle ruimte die haar wordt geboden om inhalig, afzichtelijk, achterlijk en lui te zijn. Iedere verantwoordelijkheid voor de eigen ellende wordt daarbij van de hand gewezen.

Van mijn bevindingen in de korte tijd dat ik bezoekwerk deed, herken ik wel iets in wat hij schrijft. Soms letterlijk, bijvoorbeeld dat criminelen zo onpersoonlijk spreken over hun misdaden. “Het gaat mis” betekent eigenlijk “ik ga stelen”.  Dalrymple noteert “het mes ging erin” voor: “ik heb gestoken”.  Juist doordat mensen zichzelf niet een handelende, sturende, verantwoordelijke partij voelen in het geheel komen ze tot criminele daden of maken ze op z’n minst een rommeltje van hun leven.
Je kunt daar verontwaardigd over zijn en roepen: die woede-uitbarsting, die steekpartij, die diefstal, het overmatige drinken, dat is een daad en niet iets wat je overkomt, zoals Dalrymple doet, maar als arts schiet hij daarmee tekort.
Feit is dat zij de wilskracht niet hebben om zichzelf te disciplineren en dat probleem los je niet op door alleen maar te zeggen hoe verkeerd die houding is en dat ze die wilskracht moéten hebben. Natuurlijk moeten ze dat. Dat weten ze zelf ook alleen ze hébben de wilskracht gewoon niet.
Alleen maar reageren met: ‘heb je geen zin? Nou dan maak je maar zin’ helpt deze mensen niet verder en helpt de maatschappij niet van de problemen af die deze mensen veroorzaken.

Dalrymple’s schema’s zijn simpel en ogen daardoor aantrekkelijk, maar ze hebben weinig met de werkelijkheid te maken. Hij ziet de maatschappij als een stratificatie van ‘moreel laag’ tot ‘moreel hoogstaand’. Begrippen die we, zo waarschuwt hij, niet moeten verwarren met ‘arm’ en ‘rijk’ of ‘laaggeschoold’ en ‘hooggeschoold’. Er zijn immers genoeg arme, laagopgeleide mensen die moreel hoogstaand zijn. Er zijn daarnaast veel laagopgeleide, moreel vervallen mensen die heel rijk zijn. Wie in onze maatschappij aan de onderkant zit, heeft in materieel opzicht een leven waar een Romeinse keizer alleen maar van had kunnen dromen. Het is dan ook niet de armoede die iemand crimineel maakt, maar zijn of haar slappe karakter. De ‘hogere klasse’ is per definitie de moreel hoogstaande klasse, die zijn eigen primitieve driften in bedwang heeft. Toch valt deze klasse bij Dalrymple veelal samen met de “hoge” cultuur van Bach en Shakespeare, met de bijbehorende goede opleiding en beter betaalde baan.
De ideeën van de hogere klasse sijpelen langzaam naar beneden, naar de onderklasse, die uit deze ideeën vervolgens alleen datgene gebruikt wat haarzelf te stade komt. Een voorbeeld: de hogere klasse pleitte voor een lossere huwelijksmoraal. Echtscheiding werd niet meer afgewezen, maar een scheiding bleef bij de hogere klasse ingebed in morele kaders van goed ouderschap. De onderklasse daarentegen heeft van dit idee alleen de bandeloosheid opgepikt, met als gevolg een exponentiele toename van gebroken gezinnen en onwettige kinderen in achterstandsbuurten.

In het wereldbeeld van Dalrymple sijpelen niet alleen ideeën van de bovenklasse naar de onderklasse (die daar vervolgens geperverteerd worden), maar helaas ook andersom. Met afgrijzen beschrijft hij hoe de navelpiercing zijn intrede heeft gedaan in het Britse Koninklijke huis en dit zonder dat Hare Majesteit zich gedistantieerd heeft van een ringetje op zo’n ongebruikelijke plaats. Blijkbaar is het zelf-evident dat dit een teken is van moreel verval want hij geeft er verder geen argumenten voor.
Een dergelijk conservatisme blijkt ook uit zijn afkeer van hedendaagse muziek, in het bijzonder de rap. Waar hebben we dat meer gehoord?  Jazz, tachtig jaar geleden nog verguisd, heeft inmiddels de hogere regionen van de cultuursubsidie bereikt en dat zal ongetwijfeld ook met rap gebeuren.
In feite is er altijd een vruchtbare kruisbestuiving geweest tussen hogere en lagere cultuur. Het is één van de dynamische elementen van culturele ontwikkeling die ervoor hebben gezorgd dat de kunst sinds de door Dalrymple zo bewonderde Shakespeare niet versteend is. Dus ja, daar horen ook navelpiercings bij, ook al zijn ze schokkend – juist omdát ze schokken.

En dat er aan de onderkant maar wat aangerotzooid wordt, ach, is dat niet van alle tijden? Wie leest over de mensen die Dalrymple in zijn praktijk ontmoet, denkt al snel aan Neel Doffs 'Dagen van honger en ellende', het vlijmscherpe verslag van een jeugd in het stadsproletariaat van negentiende-eeuws Amsterdam. Dat boek toont ook dat het niet zozeer de armoede was die het gezin gevangen hield in een wanhopige, uitzichtloze toestand, maar de karakterzwakte van de ouders, die als ze dan eindelijk eens iets verdienden dit geld onmiddellijk omzetten in drank.
Ook 'Angela’s Ashes' van Frank McCourt, een continent en een halve eeuw verder, toont wilszwakke ouders die hun kinderen niet de geborgenheid kunnen geven die ze nodig hebben. Ik haal deze boeken aan, om te laten zien dat Dalrymple ernaast zit als hij claimt dat de toestand van de tegenwoordige onderklasse is te wijten is aan de ‘moraal van de jaren zestig’. Het gedrag van de onderklasse is verrassend constant en lijkt zich weinig aan te trekken van de moraal van het denkend deel der natie.
 
Dit dikke boek met zoveel praktijkobservaties en zoveel hartstochtelijke woede levert helaas niet een schim van een aanzet tot een oplossing voor een gebrek aan flinkheid.
In zijn eigen praktijk komt hij ook niet verder dan simpelweg de mensen bestraffend toespreken. Daarmee houdt het op. Zijn boodschap heeft geen effect omdat flankerende maatregelen ontbreken. Dat moet ook wel buitengewoon frustrerend zijn en in die zin kunnen we uit dit boek lering trekken.

Wij moeten allereerst een gebrek aan wilskracht niet meer goedpraten. Ten tweede moeten we het niet meer faciliteren. Geen zacht matras voor de harde crimineel. Ten derde moeten we zoeken naar de vruchten in de fruitmand die nog niet zijn aangetast. Deze mensen (veelal kinderen) moeten we een uitweg bieden, er moet dus meer geld komen voor onderwijs en sociaal-cultureel werk. Ten vierde moeten we het idee loslaten dat we criminelen kunnen verbeteren door ze op te sluiten. Want wat verder ook de merites kunnen zijn van lange straffen, uit onderzoek is keer op keer gebleken dat het als middel voor gedragsverandering niet werkt. Tot zover is duidelijk wat we zouden kunnen doen. En dan, dan wordt het moeilijk. Het is de kunst om de zelfstandigheid en eigen verantwoordelijkheid in elk van ons aan te spreken en tot leven te brengen. Hoe dat moet, dáár zou nou een volgend boek over moeten gaan.


Theodore Dalrymple
“Leven aan de onderkant,
Het systeem dat de onderklasse instandhoudt”
Vertaald en ingeleid door Chris Rutenfrans
Uitgeverij Het Spectrum
ISBN 90 274 9917 9


Laatst aangepast op zaterdag, 12 januari 2008 00:05