|
De gevestigde orde weert zich tegen onafhankelijken
door Fons Zinken
Op donderdag 17 maart 2005 heeft de Tweede-Kamer het wetsvoorstel ‘Wijziging van de Wet subsidiëring politieke partijen houdende verhoging van de subsidiebedragen, verbreding van de subsidiabele doelen en aanpassing van de subsidiegrondslag’ (29869) behandeld. De subsidiebedragen zijn verhoogd, de bestedingsmogelijkheid is verruimd en het ledental van een politieke partij is nu medebepalend voor de hoogte van de uit te keren subsidie.
Belangrijkste wijzigingen
Voor de subsidie tellen de leden mee die vergader- en stemrechten hebben in de vereniging en jaarlijks elk € 12, - of meer aan contributie betalen. De politieke jongerenorganisatie moet minimaal honderd leden hebben waarvan ten minste tweederde niet jonger is dan 14 jaar en niet ouder dan 27. Zij moeten jaarlijks minimaal € 5, - contributie betalen.
Artikel 5 van de Wet geeft een opsomming van activiteiten waaraan de subsidie besteed mag worden. Dat zijn:
a. Politieke vormings- en scholingsactiviteiten;
b. Informatievoorziening;
c. Het onderhouden van contacten met zusterpartijen buiten Nederland;
d. Het ondersteunen van vormings- en scholingsactiviteiten ten behoeve van het kader van zusterpartijen buiten Nederland;
e. Politiek-wetenschappelijke activiteiten;
f. Activiteiten ter bevordering van de politieke participatie van jongeren;
g. Het werven van leden;
h. Het betrekken van niet-leden bij subsidiabele activiteiten van de politieke partij;
i. Werving, selectie en begeleiding van politieke ambtsdragers;
j. Activiteiten in het kader van verkiezingscampagnes.
Toetsing wet
Het eerste wat je verwacht is dat deze wet regels stelt voor subsidiëring van alle politieke partijen in Nederland. Helaas is dat niet het geval. Artikel 1 lid b stelt dat alleen politieke verenigingen die geregistreerd zijn voor de verkiezing van leden van de Tweede Kamer gebruik kunnen maken van deze wet. Vervolgens staat in artikel 2 dat de minister van Binnenlandse zaken subsidie verstrekt aan een politieke partij die aan de laatst gehouden verkiezingen voor de Tweede Kamer of Eerste Kamer der Staten Generaal heeft deelgenomen en een of meer zetels toegewezen heeft gekregen.
In de oorspronkelijke Wet stond de Eerste Kamer niet vermeld. Door de opkomst van provinciale politieke partijen met een afgevaardigde in de Senaat, is de Wet een aantal jaren geleden op onderdelen aangepast waardoor ook de Senaatszetel geldt als kamerzetel in de zin van de Wet subsidiering politieke partijen. Om voor subsidie in aanmerking te komen, moest die Senaatszetel wel voldoen aan artikel 1 lid b. Daartoe hebben een aantal provinciale politieke partijen een vereniging opgericht en deze onder de naam OSF (Onafhankelijke Senaats Fractie) laten registreren voor de verkiezingen van de leden van de Tweede-Kamer. Deze verplichtte registratie was in strijd met de statuten van de OSF en was eveneens in strijd met de onafhankelijke politieke beweging zoals beschreven in de PoN-filosofie . Telkens na een verkiezing van de leden van de Tweede-Kamer heeft de OSF daardoor een probleem. Op grond van artikel G1 lid 7d van de Kieswet namelijk, schrapt het centraal stembureau de OSF uit het register omdat deze partij niet heeft deelgenomen aan die verkiezing. Om voorts weer voor subsidie in aanmerking te komen, moet de partij direct na elke verkiezing opnieuw een ‘leugenbriefje’ schrijven en een nieuwe waarborgsom storten. Immers, geen registratie dan ook geen subsidie. De waarborgsom wordt niet teruggegeven omdat de OSF geen geldige kandidatenlijst voor de Tweede-Kamer inlevert.
Een andere onvolkomenheid in de Wet is de eis van minimaal 1000 leden op de eerste dag van het kalenderjaar. Geen 1000 leden dan ook geen subsidie. De OSF heeft geen natuurlijke personen als lid. Leden zijn provinciale politieke partijen. Het is irreëel om te veronderstellen dat er ooit 1000 provinciale partijen ontstaan die allemaal lid worden van de OSF. De Haagse kaasstolp heeft daar een unieke maar onnavolgbare en onuitvoerbare constructie voor bedacht. De leden van de provinciale partijen mogen meegeteld worden indien deze voldoen aan de door de wet gestelde eisen. Welnu, er zijn provinciale partijen die slechts lokale politieke partijen als lid hebben of een combinatie van natuurlijke personen en lokale partijen als lid. Dubbele koepelorganisaties. Nog altijd is de eis van 1000 leden daarmee niet te realiseren. Het ministerie gaat uiteindelijk akkoord met het bijtellen van de leden van de aangesloten lokale politieke partijen. Dit is in strijd met de wettekst maar kennelijk wel in de geest van de wet. Ter verduidelijking van deze ingewikkelde constructie een voorbeeld. De lokale partij ‘Vriendelijk Diever’ heeft 35 natuurlijke leden en is lid van de provinciale politieke partij ‘Drents Belang’. Deze laatste is weer lid van de OSF. Die 35 leden van ‘Vriendelijk Diever’ moeten telken jare uitdrukkelijk verklaren dat ze tevens lid zijn van ‘Drents Belang’ en van de OSF. Het aantal leden dat de OSF mag meetellen voor subsidie is 35+1(Vriendelijk Diever)+1(Drents Belang)=37. Indien bij ‘Drents Belang’ nog 8 lokale partijen zijn aangesloten met 35 leden en waarvan alle leden hebben verklaard lid te zijn van ‘Drents Belang’ en de OSF, dan ziet het rekensommetje als volgt uit: 9(lokale partijen)x35(leden)+9(lokale partijen)+1(Drents Belang)= 325. Wil de OSF voor subsidie in aanmerking komen dan dienen er minimaal 4 provinciale partijen te zijn aangesloten met ongeveer de structuur van ‘Drents Belang’. Een bijna onmogelijke opgave maar bovenal zeer bureaucratisch en voor de leden van lokale partijen vaak een onwenselijke constructie.
De Wet was al onrechtvaardig vanwege het toespitsen op de politieke partijen in de Staten-Generaal. Door te subsidiëren op basis van het aantal leden wordt de Wet ook nog eens minder democratisch. Het bedrag dat uitgekeerd wordt per lid komt tot stand door € 1.856.360, - te delen door het aantal leden van alle politieke partijen gezamenlijk. De macht was al bij de leden van de politieke landelijke partijen. Door deze constructie wordt die macht versterkt en wordt de kiezer nog verder op afstand gezet. Het werven van leden is lucratief. De ons-kent-ons cultuur, belangenverstrengeling en de vriendjespolitiek krijgen een geweldige financiële prikkel. Niet lang meer en de volgende advertenties kunnen we verwachten: wordt lid van de PvdA en ontvang gratis deze handige onkruidverdelgingsspuit! Wordt lid van het CDA en u ontvangt gratis een jaarabonnement op de KRO-gids! Wordt lid van de VVD en de vereniging zal u gratis helpen aan een lucratieve overheidsbaan!
De oogkleppendiscussie
Bij de algemene beraadslaging in de Tweede-Kamer was het opvallend maar bovenal teleurstellend dat niemand sprak over de positie van de kiezers. Geen vraag over de kosten van uitvoering van deze Wet. Geen woord over de status van de fracties en de fractiegelden ten opzichte van de politieke partij. Slechts even werd gerefereerd aan andere inkomstenbronnen zoals Europese subsidies, subsidie uit de emancipatiepot, de jongerenbeurs en de financiering van de burgemeesterskandidaten bij een eventuele verkiezing.
Er werd wel gesproken over lokale politieke partijen. Voor provinciale politieke partijen was nauwelijks aandacht. Alle woordvoerders waren het erover eens dat er iets onbevredigends was in deze Wet. Lokale afdelingen van landelijke politieke partijen konden wel profiteren van de subsidies terwijl lokale partijen geen cent krijgen. Maar niemand had er een oplossing voor. De heer Dubbelboer van de PvdA zag de bui al hangen en merkte op: “Het beeld komt nu op dat wij het hier voor onszelf regelen en dat zij (de lokale partijen, red.) buitengesloten worden”. De heer Dubbelboer kan gerust gesteld worden. Het is geen beeld maar een zekerheid!! Je wordt lid van de ANWB omdat er een tegenprestatie geleverd wordt. Datzelfde geldt voor het lidmaatschap van traditionele politieke partijen. Je wordt lid om er voordeel uit te halen. Stemmen op een partij of een gift storten, kun je ook zonder daarvan lid te zijn.
De interne gerichtheid van de kamerleden komt het duidelijkste tot uitdrukking in de volgende opmerking van minister Remkes bij zijn reactie op de eerste termijn. Hij zei: “Wat verder altijd een belangrijke rol van een politieke partij is, zij het dat die functie bij de afname van het ledental wel in waarde vermindert, is de verwoording van de bij de bevolking bestaande wensen en opvattingen”. Volgens de minister is de kloof tussen kiezers en volksvertegenwoordigers een gevolg van de terugloop van het ledenbestand van de politieke partijen. Hij gaat er kennelijk van uit dat als iedereen lid is van een politieke partij de wil van het volk optimaal wordt vertaald in beleid. In dat geval kun je ook de Kieswet en de Wet subsidiering politieke partijen op de schroothoop gooien want iedereen stemt toch op zijn eigen club. Een goede ledenadministratie is dan voldoende. Het verloop van de leden bepaald dan de zetelverdeling. Wie is er nu blind voor maatschappelijke ontwikkelingen?
Haagse kaasstolp
Onder de Haagse kaasstolp van de traditionele politieke landelijke partijen was en is er geen oog voor de vernieuwingsbeweging en helemaal geen oog voor de ontwikkelingen in de samenleving. Daardoor worden ondemocratische wetten gemaakt die in samenhang niet sporen waardoor allerlei symptoombestrijdende maatregelen noodzakelijk zijn. Dit laatste geeft weer mogelijkheden aan juristen om procedures op te starten en veel geld te verdienen. De samenleving zal uiteindelijk het gelag moeten betalen.
Een voorbeeld van symptoombestrijding is de motie over subsidiering van koepelorganisaties ten behoeve van scholing en vorming voor lokale partijen. Er ontspon zich een hele discussie over lokale partijen en subsidiering daarvan. Het best samengevat in de reactie van de minister. Hij zei:”Enkele woordvoerders hebben gevraagd waarom de lokale politieke partijen niet in aanmerking komen voor subsidie. Er is een brief van de VNG gekomen. Mijn antwoord is: omdat ik niet een rijksverantwoordelijkheid zie voor de ondersteuning van Met Winsum Vooruit of Lokaal Belang Tytsjerksteradiel. Dat is echt een lokale verantwoordelijkheid”. Hij gaat er aan voorbij dat de lokale en regionale afdelingen van de politieke landelijke partijen wel onder rijksverantwoordelijkheid worden gesteund. Aan deze onrechtvaardigheid wilden de kamerleden een einde maken door het indienen van een motie met de volgende inhoud:
De Kamer, gehoord de beraadslaging, constaterende dat er geen regeling voorzien wordt voor landelijke koepels van plaatselijke politieke groeperingen;
overwegende dat:
- lokale partijen van groot belang zijn voor het goed functioneren van het democratisch bestel;
- de taak voor politieke partijen voor werving, opleiding en begeleiding van volksvertegenwoordigers een belangrijke reden voor de verhoging van de subsidie is;
- landelijk georganiseerde partijen deze activiteiten voor hun lokale afdelingen faciliteren en hiervoor middelen kunnen aanwenden uit de landelijke subsidie;
- landelijke koepels van plaatselijke politieke groeperingen hierop geen aanspraak kunnen maken;
spreekt uit dat de minister van BZK voor de nieuwe Wet op de partijfinanciering
onderzoekt op welke wijze steun van de rijksoverheid voor landelijke koepels van plaatselijke politieke groeperingen geregeld kan worden,
en gaat over tot de orde van de dag.
Bij deze onduidelijke motie rijzen vele vragen. Wat wordt verstaan onder een landelijke koepel? Waarom alleen landelijke koepels van lokale partijen en niet van provinciale politieke partijen? Waarom hebben lokale en provinciale partijen geen recht op subsidie voor Informatievoorziening, het onderhouden van contacten met zusterpartijen buiten Nederland, het ondersteunen van vorming- en scholingsactiviteiten ten behoeve van het kader van zusterpartijen buiten Nederland, politiekwetenschappelijke activiteiten, activiteiten ter bevordering van de politieke participatie van jongeren, het werven van leden, het betrekken van niet-leden bij subsidiabele activiteiten van de politieke partij, werving, selectie en begeleiding van politieke ambtsdragers en activiteiten in het kader van verkiezingscampagnes? Wat gebeurt er met lokale en provinciale partijen die niet bij een koepel zijn aangesloten? De minister ontraadde de motie.
Minister Remkes heeft per brief geantwoord op de vragen en de motie. Het is een brief met tegenstrijdigheden, kronkelredenaties en bestuurlijke spagaten die voortbouwt op het versterken van de traditionele partijcultuur en structuur. Een structuur en cultuur van ‘voor wat hoort wat’. Ter verduidelijking een aantal voorbeelden.
De minister erkent dat landelijk georganiseerde politieke partijen activiteiten voor hun lokale afdelingen faciliteren en daarvoor middelen aanwenden uit de landelijke subsidie. Vervolgens stelt de minister dat ook politieke partijen die vertegenwoordigd zijn in gemeenteraden en provinciale staten voldoende gefaciliteerd dienen te worden. Daarmee is echter niet gezegd dat de subsidiëring van lokaal georganiseerde politieke partijen een verantwoordelijkheid zou zijn van het Rijk, aldus de minister. Volgens de minister zijn de afdelingen van landelijk georganiseerde politieke partijen wel een rijksverantwoordelijkheid en de lokale en provinciale partijen niet. Met het volgende citaat wordt dit niet alleen duidelijker maar geeft hij ook aan hoe verknocht hij is aan de interne gerichtheid van de huidige politiek in Den Haag. Over de landelijk georganiseerde politieke partij schrijft hij: “Het zijn juist deze leden op lokaal en provinciaal niveau die de verbinding vormen tussen de politieke partij en de lokale gemeenschap door te functioneren als klankbord, rekruteringspotentieel en lokale vertegenwoordiging. Zij brengen bijvoorbeeld als leden van de vereniging op lokaal niveau de boodschap van de politieke partij over het voetlicht, voeren verkiezingscampagnes en vertegenwoordigen de partij op verscheidene niveaus en in verschillende gremia. In zoverre is het zaak een politieke partij als vereniging in zijn totaliteit te bezien. Dat is ook het uitgangspunt van de Wet subsidiëring politieke partijen”. Hoe dit te rijmen valt met de opmerking in zijn brief dat bij een gedecentraliseerde eenheidsstaat een heldere bestuurlijke taakverdeling met gescheiden verantwoordelijkheden en een bijbehorende mate van autonomie hoort voor de verschillende bestuurslagen, is niet duidelijk. Want juist politieke verenigingen staan aan de basis van belangenverstrengeling en afhankelijkheid van bestuurders en volksvertegenwoordigers. Ook ondermijnen deze verenigingen het duale stelsel.
De minister is van opvatting dat lokale politieke partijen op lokaal niveau moeten worden gesubsidieerd omdat anders het Rijk al die bestedingsplannen en begrotingen van honderden lokale politieke partijen moet beoordelen en controleren. Dit argument is valide maar geeft tegelijkertijd zijn onvermogen aan om een structuur in te voeren zonder bureaucratische rompslomp.
Wat de subsidie op lokaal niveau betreft: het zal nooit gebeuren dat gemeenteraden, waar de afdelingen van politieke landelijke partijen de meerderheid hebben, de lokale partijen middelen geven om campagne te voeren tegen hen. Overigens rijst de vraag waarom de Rijksoverheid enerzijds via vaak ondoordachte wetgeving de autonomie van de andere bestuurslagen verder inperkt (b.v. WOZ, bijstand) en anderzijds categorisch weigert bestuurlijk Nederland te vernieuwen.
Zoals te verwachten was, heeft de minister subsidiering van koepelorganisaties afgewezen. Een koepelorganisatie van lokaal georganiseerde partijen zoals de VPPG, vervult inderdaad een andere rol dan een klassieke partijorganisatie.
Tot slot
De Wet subsidiering politieke partijen is in strijd met de democratie en de algemene verbindendheid van een wet. Bepaalde groeperingen worden bevoordeeld. De Wet maakt de kloof tussen kiezer en volksvertegenwoordiger steeds groter. De dominantie van leden en hun persoonlijke belangen frustreren in toenemende mate de democratische processen. De kiezer heeft het nakijken. De oplossing is heel simpel. Maak een Wet politieke partijen en neem daarin o.a. op dat de politieke partijen, dus ook provinciale en lokale politieke partijen, gefinancierd worden op basis van een bedrag per op die partij uitgebrachte stem.
De Kiesraad heeft op 3 mei 2005 in een spontaan advies aan de minister voor Bestuurlijke Vernieuwing en Koninkrijksrelaties, hoogstwaarschijnlijk onbewust, de weg daartoe geopend. De Kiesraad is van oordeel dat het mogelijk moet zijn dat op provinciaal en lokaal niveau een landelijk geregistreerde aanduiding met daaraan de toevoeging van de provincie- of gemeentenaam wordt geregistreerd. Bijvoorbeeld de provinciale partij PvdA-Gelderland. Er dient dan wel sprake te zijn van een andere politieke groepering dan de groepering die op landelijk niveau de aanduiding heeft laten registreren. Bovendien dient aan de formele vereisten voor registratie te worden voldaan, waarvan de belangrijkste is dat sprake is van een vereniging met volledige rechtsbevoegdheid. Tenslotte dient het verzoek te zijn gedaan door de politieke groepering die onderdeel is van of ressorteert onder de landelijke groepering. Een zeer interessante ontwikkeling. Enerzijds wordt door de Kiesraad een opening geboden om de politieke landelijke partijen om te vormen tot koepelorganisaties conform de structuur van de OSF en anderzijds wordt de verwarring bij de kiezer nog groter omdat bijvoorbeeld het CDA bij de verkiezingen van provinciale staten zowel met het CDA alsook met het CDA-Noord-Holland kan meedoen. Ook lokaal bestaat dan deze mogelijkheid. Dan zie je bij de gemeenteraadsverkiezingen een CDA en CDA-Rotterdam op de stemlijsten staan in de gemeente Rotterdam. De onafhankelijke beweging moet deze handreiking omarmen. Het biedt ongelooflijke kansen om op basis van dit document de bestuurlijke vernieuwing kracht bij te zetten.
|