|
Verplaatsing van macht |
| Afdrukken | |
E-mailadres |
|
Locomotie 29
|
|
woensdag, 05 december 2007 12:00 |
Een decentraal bestuur heeft de toekomst
Verplaatsing van macht
door Justin Beaumont en Aleid Brouwer
Dit artikel verwijst onder meer naar een artikel uit LOCOMOTIE 24, over De (on)zin van bestuurlijke herindeling en borduurt hierop voort met als doel het bediscussiëren van decentralisatie en subsidiariteit in Nederland. De herpositionering van de natiestaat en de verhouding ten opzichte van lokale democratische initiatieven komen aan de orde. Op deze wijze kan dit artikel een bijdrage leveren aan het debat over subsidiariteit en regiovorming in Nederland. Wij beargumenteren hier dat subsidiariteit alleen doorgevoerd moet worden, als het gekoppeld is aan decentrale bevoegdheden.
Er is tegenwoordig veel belangstelling voor de relatie tussen decentralisatie en de opkomst van lokale democratische initiatieven. Deze belangstelling komt voort uit de aanname dat meer en verbeterde interactie tussen belanghebbenden uit de publieke, private en maatschappelijke sfeer de kans op succes voor projecten verhoogt. In de context van steden kan men hierbij denken aan hoe, op verschillende niveaus, de diverse sectorale belangen bijeengebracht kunnen worden in een pakket voor stedelijke ontwikkeling. In de context van regio’s kan men denken aan het verbeteren van de organisatie- en financiële efficiëntie van een geografisch georiënteerde regionaal economisch beleid. Binnen Europees verband betekent dit dat de EU alleen dan optreedt wanneer de lidstaten op centraal, regionaal, of lokaal niveau daartoe niet beter in staat zijn. Aan ieder wetsvoorstel van de Europese commissie dient nu een aanhangsel van subsidiariteit te hangen. Dat betekent dat elk nationaal parlement kan onderzoeken of de voorstellen van de Europese Commissie wel voldoen aan het subsidiariteitsbeginsel (moet Europa zich daar nu wel of niet mee bemoeien). Maar het aanhangsel geeft ook kansen aan regionale parlementen met wetgevende bevoegdheden, zoals de Länder in Duitsland.
Herpositionering
Er is een duidelijk verband tussen decentralisatie en democratisering. In de naoorlogse periode, in het bijzonder van de jaren zeventig tot nu, is een onevenwichtigheid in regulatie en bestuur ontstaan. Deze bestuurlijke crisis is voelbaar op het lokale, nationale en internationale niveau. De uitholling of de-nationalisering van de centrale staat - omhoog naar de supranationale instituties als de Europese Unie en naar beneden naar de subnationale (regionale en stedelijke) niveaus van bestuur - daagt uit om nieuwe machtsrelaties te construeren. Op het bestuurlijke niveau kan subsidiariteit leiden tot grotere betrokkenheid én inspraak van de burgers op alle niveaus.
Decentralisering binnen steden kan bijvoorbeeld zorgen voor meer interactie tussen verschillende organisaties, zoals gemeenschapsorganisaties, bewonersorganisaties, verschillende geloofsgroeperingen, liefdadigheidsinstellingen en sociaal-economische projecten. Hoewel geen garantie, zijn de meer interactieve vormen van bestuur een mogelijkheid voor een opleving van de lokale democratie.
Invloed vanuit de maatschappij
Subsidiariteit van bestuur in verschillende contexten roept uiteraard vragen op over de rol van nieuwe bestuursvormen. Het Nederlandse bestuursmodel is een mix van sociaaldemocratische, conservatieve en staats-corporatistische elementen onder het primaat van de centrale staat die het verenigingsleven én de locale democratie in banen leidt en controleert. De wijze en mate van non-gouvernementele inmenging (door maatschappelijke belangengroepen en commerciële bedrijven) in bijvoorbeeld het Grote steden-Beleid, geeft duidelijk aan dat de tijdgeest rijp is voor meer decentralisatie. Niet alleen binnen de stedelijke context, maar ook binnen de nationale én Europese context.
De decentralistische tendens is niet nieuw in het debat over de wijze waarop het openbaar bestuur in Nederland georganiseerd moet worden. Een steeds terugkerend item is de wijze waarop de overheid haar gezag uitoefent. In het verleden werden al voorstellen gedaan om te decentraliseren en om het ’huis van Thorbecke’ met de drie bestaande schaalniveaus (rijk - provincie - gemeente) te hervormen. In de jaren zeventig van de vorige eeuw werden plannen gemaakt om 24 praktisch ingestelde, ‘doe-provincies’ te vormen. Deze plannen werden afgewezen en bestuurlijke schaalvergroting van de gemeenten deed zijn intrede in de jaren tachtig. Hiermee werd ook de samenwerking tussen gemeenten bevorderd. In de jaren negentig kwam de stedelijke problematiek weer op de politieke agenda. Stadsbesturen kregen meer middelen om krachtig op te treden tegen problemen. Hier kwam zelfs een wet uit voort (de Kaderwet bestuur in verandering), waarin verlengd lokaal bestuur in de zeven stedelijke gebieden is georganiseerd. Desalniettemin is er geen aanpassing van het Nederlands openbaar bestuur doorgevoerd. In het rapport van de commissie Geelhoed ‘Op schaal gewogen’ wordt een nieuw perspectief op de agenda gezet: Subsidiariteit en decentralisatie. Aangevuld met het recente rapport ‘de theorie van de provincie’ van prof. Toonen wordt gewezen op de relevantie van verandering van bestuursvormen in Nederland op de midden-lange termijn.
Vier of vijf provincies
Hiermee wordt aan de ene kant een schaalvergroting van de huidige provincies aanbevolen en aan de andere kant meer bevoegdheden van deze provincies om het openbaar bestuur in Nederland weer effectief te laten functioneren. Het aantal provincies dient dan ook teruggebracht te worden naar vier à vijf en deze bestuurlijke gebieden moeten dan ook meer slagvaardigheid krijgen. Een duidelijk decentralistisch standpunt, dat overeenkomt met de vorming van vier a vijf landsdelen met een zekere mate van autonomie. In de ultieme decentralisatie zullen deze landsdelen dan ook bestuurd moeten worden door regionale bestuursorganen, gerelateerd aan rechtstreeks gekozen parlementen, die dan uiteraard ook wetten en regels stellen. Deze landsdelen kunnen binnen het Europa van de regio’s functioneren als volwaarde actoren ten opzichte van Brussel. Hiermee ontstaat er een nieuwe verhouding tussen de diverse overheden: Brussel-Rijk-landsdeel-lokaal niveau. Daarbij zouden de lokale besturen zich misschien het beste kunnen toeleggen op zaken als cultuur, taal en onderwijs. De ruimtelijke ordening en de ontwikkeling van de economische infrastructuur zouden zij kunnen overlaten aan het landsdelig bestuur.
Waarom decentralisatie?
Enerzijds vanwege de uitbreiding van de geografische schaal waarop allerhande activiteiten zich afspelen. Anderzijds vanwege de vervaging van grenzen tussen aan de ene kant publiek en privé en aan de andere kant de diverse betrokken velden van beleid (bijv. wonen, werken, religie, recreatie enz.) Deze veranderingen hebben consequenties voor de economische en maatschappelijke orde. Beleidsdomeinen worden complexer, het is steeds moeilijker om het overheidsbeleid tot een succes te maken, zeker als er veel actoren bij betrokken zijn. Schaalvergroting is de trend. Kleinere regio’s krijgen het steeds moeilijker om aansluiting te vinden en/of te behouden bij de mondiale economie. Deze economie lijkt daarenboven de opkomst van een onderklasse met zich mee te brengen. Een onderklasse van uitvallers brengt verdeling- en integratievraagstukken met zich mee, het zijn de stad en de regio die daar het meest mee geconfronteerd worden.
Beleid moet daarom meer in samenhang gezien worden. De afstand tussen Brusselse / Haagse abstracte politiek én de kleinschalige, gedifferentieerde lokale problematiek is te groot. De regio, met zijn speciale omgevingskennis en menselijke toewijding, moet daarom meer te zeggen krijgen. De regio moet als procesarchitect, intermediair, ondersteuner en afstemmer meer ingezet worden. Ze moet een grote rol krijgen bij het opdrachtgeverschap van beleid. De twaalf provincies zoals die nu bestaan zijn te klein om daadwerkelijk een gebiedsgerichte samenhang in overheidsbeleid aan te brengen. Daarnaast hebben de provincies ook lang niet voldoende financiële middelen én bevoegdheden, omdat deze nu nog primair in Den Haag liggen. Om deze reden moet decentralisatie en subsidiariteit in Europa naar de grotere landsdelige regio’s actief behartigd worden. In plaats van een regionaal of nationaal chauvinisme, ontstaat er nu een gezond “regiopatriottisme”. Zoals Reverda zegt “Waar de wereld zich onder invloed van mondialisering openbaart als een podium van onbeperkte mogelijkheden, zoeken mensen daarentegen steeds vaker hun begrenzing in de herkenbaarheid van de eigen lokale of regionale identiteit”
Conclusie
In reactie op het stuk uit LOCOMOTIE 24 door dhr. Evert Voogd draagt dit artikel bij aan het debat over het proces van devolutie van besturen naar subnationale grootheden als regionale besturen, zoals bijvoorbeeld het geval is in nieuwe ‘regio’s’ van het Verenigd Koninkrijk (Schotland en Wales). De discussie over de invoering van landsdelen heeft inmiddels ook in Nederland nadrukkelijker een plek op de politieke agenda gekregen. Er bestaan sterke spanningen tussen functionele regionalisatie aan de ene kant en maatschappelijke regionalisatie aan de andere kant. De reikwijdte van decentralisatie in termen van echte overdracht van macht blijft vooralsnog een onzekere en politiek gevoelige zaak. De bestuurslagen die er nu zijn sluiten niet aan bij de democratie zoals die nodig is in Nederland. Dit betekent zeker niet dat er voor elk individueel vraagstuk een nieuwe bestuurlaag opgeworpen moet worden, nee, natuurlijk niet. Maar, omdat er nog niet direct een eenduidige oplossing bestaat over hoe landsdelen in te voeren of hoe de grenzen daarvan zouden moeten lopen, de zaak dan maar te laten zoals het is, zoals in het artikel van Voogd wordt gesuggereerd, lijkt een zwaktebod. Decentralisatie is de nieuwe vorm van openbaar bestuur in de 21e eeuw, en past ook volledig binnen de doelstellingen van de Europese Unie.
Justin Beaumont is onderzoeker bij de Faculteit Geografie aan de Rijksuniversiteit Groningen en Aleid Brouwer is onderzoeker bij de Faculteit Economie aan de Rijksuniversiteit Groningen en bestuurslid bij de Partij voor het Noorden.
|
|