|
Locomotie herfst – nummer 2006 SERIE: TALEN IN NEDERLAND In de afgelopen zomer kreeg het bedreigde voortbestaan van streektalen verrassend veel aandacht in de media. Aanleiding was een onderzoek van de Radboud Universiteit Nijmegen waaruit bleek dat het aantal Nederlanders dat in het dagelijkse leven een dialect of streektaal gebruikt, snel afneemt. Luidt dit onderzoek de definitieve ondergang van de streektalen in? Dick van Niekerk analyseerde de precieze resultaten en verzamelde een aantal veelkleurige reacties. In het tweede artikel van deze aflevering uit de serie “Streektalen in Nederland” doet hij verslag van een druk bezocht symposium over de Zeeuwse streektaal die de afgelopen vijf jaar juist méér (!) gebruikt is gaan worden. “Streektalen verdwijnen niet, ze veranderen alleen maar” Nederlanders spreken steeds minder dialect of streektaal. Het Limburgs is nog het populairst maar het aantal Friezen dat de eigen taal spreekt, is sinds 1995 met bijna twintig procent gedaald. Dit blijkt uit een onderzoek van Dr. Geert Driessen (Radboud Universiteit Nijmegen) dat begin augustus 2006 gepubliceerd werd. De Nijmeegse dialectonderzoeker Driessen verzamelde gegevens van 35.000 basisscholieren en hun ouders. Nederland kent naast het Algemeen Nederlands drie erkende streektalen: het Fries, het Limburgs en het Nedersaksisch, waartoe het Gronings en het Drents behoren. In veel gebieden wordt ook een dialect gesproken, zoals het Zeeuws en het Brabants. In 1995 gebruikte nog een kwart van de ouders dialect of streektaal, maar in 2003 was hun aantal met eenderde verminderd tot achttien procent. Onder kinderen lijkt het gebruik van streektaal nog weinig voor te komen. Een klein percentage van de onderzochte scholieren zegt dat ze dialect spreken. Vooral in het Nedersaksisch en het Brabants zijn de verschillen tussen ouders en kinderen volgens Driessen groot. Nog ruim een kwart van de volwassenen gebruikt bijvoorbeeld Nedersaksisch, terwijl maar vier procent (!) van hun kinderen dat doet. De cijfers van Driessen voorspellen een weinig rooskleurige toekomst voor de streektalen. Zij lijken ook te logenstraffen dat er in dit land sprake is van een “dialectrenaissance”, een woord dat regelmatig terugkomt in eerdere afleveringen van deze serie. Maar er is iets merkwaardigs aan de hand met de regelmatig terugkerende - meestal van wetenschappelijke zijde afkomstige - onheilstijdingen over streektalen. Ze worden steevast gevolgd door onderbouwde tegenovergestelde beweringen. En verder nog: hoe somberder de situatie van de streektalen wordt afgeschilderd, hoe groter de betrokkenheid van belangstellenden erbij wordt. De vergelijking met een dierbaar familielid dat op sterven ligt dringt zich op. De betrokkene wordt tot het uiterste gereanimeerd en niemand wil afscheid nemen. Maar is die vergelijking wel terecht? Dialect hoort bij onze cultuur De Telegraaf wierp zich na het bekend worden van het Nijmeegse onderzoek onmiddellijk op als de “vox populi” en organiseerde een lezersenquête over de stelling We moeten zuinig zijn op het dialect. Van de 2547 deelnemers beaamde 66% de stelling, terwijl 31% van de respondenten er niet wakker van kon liggen. 54% van de deelnemers meent dat dialecten en streektalen Nederlands cultuurgoed zijn dat beschermd moet worden, eventueel van overheidswege. “Dialect hoort bij onze cultuur,” schrijft iemand. “De Nachtwacht gooi je toch ook niet in de prullenbak?” Als iemand met een sterk accent spreekt, heeft dat volgens 62% negatieve gevolgen voor zijn of haar carrière. 37% geeft toe iemand met een afwijkend accent anders te behandelen. Een kwart van de respondenten vindt iemand met een accent zelfs “dom” overkomen, terwijl 53% er juist van “gecharmeerd” is. Een lezer die in Twente is opgegroeid en Limburgse ouders heeft, ervaart het als een verrijking dat hij meerdere dialecten verstaat: “Als iedereen op dezelfde manier praat, is het maar saai. Een dialect geeft je een eigen identiteit.” De krant zelf haalt de prominente rol van de streektaal in de muziek aan. Zanger Bennie Jolink van dialectpopgroep Normaal kreeg begin 2006 de Johanna van Buren Cultuurprijs, omdat hij veel heeft gedaan voor de waardering van de streektaal in Oost - Nederland. De Limburgse troubadour Gé Reinders (zie foto) trekt al jaren in het hele land volle zalen met zijn in het Limburgs gezongen liederen. Voor de promotie van zijn provincie kreeg hij in 2004 de Limburg Award. Etnolect: het nieuwe dialect van allochtonen Het Meertens Instituut in Amsterdam, dat de Nederlandse taal en cultuur documenteert, is nog lang niet overtuigd van de conclusies van Driessen. “De regionale verschillen zijn nog steeds groot,” beweert het instituut bij monde van Ton Goeman in De Volkskrant. Goeman verwacht dat de dialecten wel geleidelijk veranderen. “Het gaat van dialect naar regiolect, mede onder invloed van de grote middelbare scholen. Iemand die vroeger dialect sprak, werd vaak gezien als een achterlijke boer, maar nu hechten mensen ook aan regionale identiteit.” Hij ziet zelfs een uniek fenomeen ontluiken: “Allochtonen spreken een nieuw dialect: etnolect.” Als voorbeeld van de kracht van de streektaal haalt hij het enorme succes aan van de soap Van Jonge Leu en Oale Groond die helemaal in het Twents is gesproken en die in de vorige Locomotie uitvoerig besproken is. De Twentse streektaaldeskundige Bert Groothengel doet in die bijdrage de krasse uitspraak dat niet de streektaal gevaar loopt maar het Nederlands. “Over een eeuw zal Twents in onze regio de eerste taal zijn en Engels de tweede. Het Nederlands zal dan vrijwel geheel verdwenen zijn,” voorspelt hij. Tweetalige opvoeding is goed voor de taalontwikkeling Abel Darwinkel (als beroepskracht verbonden aan de Stichting Drentse Taol, www.drentsetaol.nl) herkent zich volledig in een door hem met instemming geciteerde vaststelling van dialectonderzoeker Margreet van der Ham: “Driessen vroeg mensen of zij dialect spreken, maar lang niet iedereen beseft dat hij dialect spreekt(!) De angst dat iedereen in Nederland binnenkort hetzelfde spreekt is ongegrond. Er blijven altijd regionale verschillen.” Darwinkel is niet zo verrast over de geringe animo van de Drentse jeugd voor de streektaal. “We wisten het eigenlijk wel. Bij bezoeken aan scholen vragen we aan kinderen steeds wie er thuis nog Drents praat. Maar er zijn niet veel scholen waar dat percentage meer is dan twintig procent. Een taal kan alleen overleven als de taal door de ouders wordt doorgegeven aan de kinderen. Gelukkig zijn er in Drenthe nog ouders die dat doen. Uit onderzoek blijkt trouwens dat een tweetalige opvoeding (dat betekent dat de kinderen thuis Drents spreken; en op school en via televisie Nederlands leren) de taalontwikkeling bevordert.” En ondanks het perspectief van uitsterving – of misschien wel juist door dit vooruitzicht – is er werk te over voor Drentse Toal. Darwinkel op de website: “De belangstelling veur de streektaolen in Nederlaand is slim groot. Der binnen de leste jaoren een koppel dialectoetgaoves, aal daogen kieken veerhonderd man op oouze webstee en vleden jaor hebben meer as dreeihonderd (!) mèensen een cursus volgd bij Stichting Drentse Taol. Boetendes krieg wij aal daogen mailties en tillefoonties met allerhaande vraogen. Dat, waark zat. En as de leste Drèentstaolige Drent de leste aodem oetblas en zeg : « Ik heb ’t ertoou daon””, dan is nog waark zat veur de Stichting Drentse Taol. Want zoas de Drèentse schriever Martin Koster’nmaol zegd hef: ’n mooie taol is ’n dooie taol. Veur dooie taolen is ja meeisttied veul belangstelling. Kiek mor ies nor ’t Latien, ’t Oldgrieks en ’t Sanskriet!” Zeeuwse dialecten houden stand De ontwikkeling van het Zeeuws lijkt de bevindingen van het Nijmeegse onderzoek te weerleggen. Martine Schrier deed vanaf april 2006 enkele maanden onderzoek naar het gebruik van de Zeeuwse streektaal. Haar conclusie is: de Zeeuwse dialecten houden stand, ze worden zelfs wat meer gebruikt dan vijf jaar geleden. Voor de Zeeuwse streektaalconsulent Veronique De Tier, die in deeltijd verbonden is aan de universiteit Gent, is het dan ook geen vraag of de dialecten verdwijnen. “Dialecten blijven, hoewel bepaalde klanken zullen veranderen. Het dialect zal zich ontwikkelen tot een regiolect maar bepaalde dialectkenmerken blijven overeind.” “Laat ik maar eens naar mezelf kijken,” zegt deze Vlaamse dialectologe. “In mijn dialect laat je vaak de h weg net als in het Zeeuws, maar we spreken ook vaak een h waar eigenlijk een ‘g’ hoort (bijvoorbeeld daehen voor dagen). Dat maakt me onzeker als ik algemeen Nederlands spreek, terwijl ik toch een bewuste taalgebruiker ben. Dan sta je daar voor een groter publiek en dan denk je: moet ik nou een ‘g’ of een ‘h’ zeggen? Die dingen krijg je er nooit meer uit en ze zullen zeker niet verdwijnen!” Dialect wordt regiolect Regiolect: een tussenvorm tussen plaatselijk gebruikt dialect en de standaardtaal, ook wel algemeen Nederlands genoemd. Wie dialecten bestudeert, dient een onderscheid te maken tussen dialect als communicatiemiddel en dialect als taalsysteem, waarmee vooral de woordenschat en de grammatica is bedoeld. Het dialect als communicatiemiddel staat in veel gebieden onder druk, zoals blijkt uit de studie van de Nijmeegse onderzoeker Driessen. Waar het dialect in veel gebieden of situaties nog onaantastbaar lijkt (bijvoorbeeld tijdens de repetities van de Limburgse Fanfare of tijdens de activiteiten van de Friese ijsclub), gebeurt het toch dat het dialect verandert. * Sommige woorden verdwijnen gewoon door maatschappelijke ontwikkelingen. Bijvoorbeeld: een heleboel landbouwtermen omdat er geen paardenkracht meer wordt gebruikt, denk ook aan de Zeeuwse klompenmaker en het turf steken. * Andere dialectwoorden worden vervangen door een equivalent uit de standaardtaal. Een voorbeeld is het Drentse (en ook Groningse) scheuvels. Iemand die Drents dialect spreekt kan dit woord in z’n dialect vervangen door de Nederlandse tegenhanger “schaatsen” of door een uitspraak schaotsen, die tussen Drents en Nederlands in hangt en in feite Drents noch Nederlands is. Ander voorbeeld is edik. De dialectspreker die vreest in de winkel niet begrepen te worden kiest waarschijnlijk voor het Nederlandse azijn, of gebruikt een tussenvorm azien. Deze vernederlandste vormen komen vooral bij jongeren voor. Voor dit vernederlandste dialect is in de jaren tachtig het begrip regiolect geïntroduceerd. Als verklaring voor de opkomst van het regiolect geldt de behoefte aan een communicatiemiddel dat de mogelijkheden van het plaatselijke gebruik overstijgt maar ook weer niet zo bovenregionaal hoeft te zijn als het Nederlands. Het regiolect lijkt vooral te worden gecreëerd door middelbare-scholieren die een streekschool bezoeken. Daar ontdoen ze hun dialect van de scherpe (plaatselijke) kantjes. Ze vervangen de betreffende woorden door de meer algemene die ze kennen van radio en televisie en uit het onderwijs. De regionale inkleuring van de klanken blijft echter wel vaak bestaan. Hierop doelt de streektaalconsulent Zeeuws Veronique De Trier onder andere, als ze stelt dat dialecten niet verdwijnen maar veranderen. Zeeuwen koesteren hun taal Het Zeeuws staat er verrassend goed voor. Jonge ouders spreken even vaak dialect met hun kinderen als ouderen dat doen. Er wordt nu zelfs iets vaker Zeeuws gesproken dan vijf jaar geleden. Dat waren enkele opmerkelijke conclusies uit een streektaalonderzoek dat op 29 september 2006 op een symposium in Middelburg werd gepresenteerd. Aanleiding voor deze Zeeuwse streektaaldag was de nadere introductie van de reizende dialecttentoonstelling “De Zeeuwse Klapbank” die nog tot eind 2006 in Middelburg staat. In april 2006 heeft de Zeeuwse studente Martine Schrier (universiteit Utrecht) haar provinciegenoten via Internet enkele indringende vragen voorgelegd over het gebruik van het Zeeuws. De respons noemt ze “overweldigend”. In een paar weken kreeg ze ruim 2000 reacties, waarvan er 1567 bruikbaar waren. De jongste respondent was elf jaar, de oudste 83. Enkele in het oog springende conclusies: - Zeeuwen spreken meer standaard Nederlands dan dialect. Toch begrijpt iedereen het dialect en acht op de tien Zeeuwen kunnen het ook zelf spreken. In Zeeuws-Vlaanderen “beheerst” zelfs 85 procent het dialect. - Zo’n driekwart rekent erop dat de streektalen in de toekomst blijven bestaan. - De Zeeuwen spreken het liefst in dialect maar gebruiken in de praktijk het meest een lichtelijk Zeeuws gekleurd standaard Nederlands. - Eenderde van de ouders praat met hun kinderen thuis Zeeuws. Jonge ouders spreken met de kinderen net zo vaak dialect als de ouderen. - De streektaal is voor de Zeeuwen vooral de spreektaal voor thuis en in de eigen regio. - Er is weinig vraag naar geschreven Zeeuws. Officiële erkenning van het Zeeuws als streektaal volgens het Europees Handvest - twee jaar geleden afgewezen - haalt nu ook onder de Zeeuwen geen meerderheid meer. - De streektaal wordt het meest gesproken door laag opgeleide oudere mannen: 93 procent. De hoog opgeleide jonge vrouwen spreken het minst Zeeuws: 68 (!) procent. trots op accent Een vergelijkbaar onderzoek in Noord-Brabant wees uit dat van de Brabanders van twaalf jaar en ouder 43,5 procent Brabants dialect kan spreken, en 28,6 procent enigszins; opgeteld 72 procent. Vrijwel iedereen begrijpt het dialect van de woonplaats, 85 procent zelfs goed. Meer dan 82 procent van de Brabanders is er trots op algemeen Nederlands met een Brabants accent te spreken. “Dialect spreken is masculien” Martine Schrier, geboren en getogen in Kapelle maar zelf geen dialectspreker, signaleert een opmerkelijk verschil met de resultaten van een soortgelijk onderzoek van vijf jaar geleden: “Toen gaf ruim vijftig procent van de Zeeuwen aan dat ze nog Zeeuws konden spreken. Uit mijn onderzoek blijkt dat het er nu aanmerkelijk meer zijn. We zouden kunnen concluderen dat de jongeren het Zeeuws nog niet hebben opgegeven. Integendeel, het Zeeuws is nog springlevend!” Zeer opvallend is dat de jongere, hoog opgeleide vrouwen verreweg het laagste scoren (68 procent) als het gaat om de beheersing van het Zeeuws. Onderzoeksbegeleider Hans Van de Velde is daardoor niet verrast: “Dit verschil tussen mannen en vrouwen is een constante bij elk streektaalonderzoek in Europa. Waarschijnlijk brengt dit tot uiting hoe sterk de emancipatie van deze categorie vrouwen de laatste jaren is geweest. In het licht van het traditionele rolpatroon – waarin de vrouw onder andere het huishouden en de opvoeding van de kinderen voor haar rekening neemt – zou je verwachten dat de vrouw juist het best het dialect zou beheersen omdat ze sterk aan huis gebonden is. Maar die groep lijkt uit te sterven of is nu al te oud om aan deze internetenquête mee te doen……. Daartegenover kunnen we vaststellen dat de huidige categorie jonge hoog opgeleide vrouwen heel duidelijk maatschappelijk vooruit wil, carrière wil maken. En dat lukt in hun ogen blijkbaar het beste als ze standaard Nederlands spreken.” Van de Velde vermoedt dat er ook nog een andere verklaring is. “Uit onderzoek blijkt dat dialect spreken als masculien, als stoer wordt ervaren. Het zou goed kunnen dat de jonge vrouwen zich tegen dit mannelijke element willen afzetten.” “Toch is het ook weer zo dat deze vrouwen - emancipatie of niet - de taaloverdracht naar de kinderen voor hun rekening nemen. En dat doen ze dan in standaard Nederlands.” Dit kan mede verklaren waarom in sommige regio’s de streektalen duidelijk afkalven. Streektaal als museumstuk Lag tijdens het geanimeerde Middelburgse symposium enerzijds de nadruk op de vitaliteit van het Zeeuws, anderzijds was er ook veel aandacht voor de groeiende behoefte om streektaal te conserveren, te documenteren en te beschrijven. Voor de bespreking van dit laatste onderwerp had de initiatiefrijke streektaalconsulent Zeeuws, Veronique De Trier, twee deskundigen van de universiteit van Gent naar Middelburg gehaald. Het is opvallend maar niet verrassend dat bij het wetenschappelijk onderzoek van het Zeeuws Belgen (West-Vlamingen) domineren. De Trier, zelf Vlaamse, daarover: “Wat de woordenschat betreft sluit het Zeeuws zeer sterk aan bij het West-Vlaams. Er wordt soms zelfs gezegd dat er geen Zeeuws woord te vinden zou zijn dat niet in het West-Vlaams bekend is. Misschien is dit wel een beetje overdreven. Maar duidelijk is dat deze buurdialecten heel wat gemeen hebben, niet alleen in woordenschat maar ook in hun klanken.” De emeritus hoogleraar Johan Taeldeman sprak vanuit een levenslange ervaring met vooral het Zeeuws-Vlaams, dat hij veertig jaar geleden al uitvoerig onderzocht en beschreven heeft. Hij gaf zijn gehoor een helder psychologisch inzicht mee in de gevoelens van de tweetalige dialectspreker. “We kunnen er allerlei theorieën op loslaten maar simpel gezegd komt het steeds hierop neer: Je spreekt standaard Nederlands, en dan moet je flink je best doen. Maar als je je op je gemakt wilt en kunt voelen, dan spreek je dialect.” Jacques Van Keymeulen constateerde dat streektaal door veel mensen in de “museale sfeer” worden getrokken. Zijn vakgroep heeft daarop ingespeeld door historische opnames van tientallen West- en Oost-Vlaamse dialectfragmenten te verzamelen. Ze zijn ondergebracht in de zogenaamde Taalkamer van het Gentse museum “Het huis van Alijn” en kunnen daar beluisterd worden. “Immaterieel cultuurgoed” De bijdrage van Van Keymeulen was een opmaat voor de introductie van De Zeeuwse Klapbank die opgezet is naar het model van De Taalkamer. In de luisterhokjes van de Zeeuwse Klapbank - afgeschermd door vaak zeer fraaie panelen - kan de bezoeker verschillende stukjes gesproken Zeeuws dialect beluisteren uit de jaren zestig en zeventig. De fragmenten zijn onderverdeeld in drie thema’s: de watersnoodramp van 1953, landbouw in Zeeland en het leven zoals het was. Op een beeldscherm kan men de “vernederlandste” tekst meelezen, zodat ook een niet-dialectspreker het gesprek kan volgen. Verder is er uitgebreid informatiemateriaal over de Zeeuwse dialecten aanwezig. Vanaf begin 2007 gaat de dialectexpositie door Zeeland reizen. De organisatie van de expositie is in handen van de Stichting Cultureel Erfgoed Zeeland. Deze organisatie waakt onder andere over het onderzoek naar en de registratie van de streektaal. Zij kan daarbij rekenen op de blijvende, financiële steun van de provincie. “Want de provincie is er veel aan gelegen dat de Zeeuwse dialecten niet verloren gaan,” stelde de Zeeuwse gedeputeerde Van Heukelom bij de opening van het symposium. Hij citeerde daarbij met instemming een bekende slogan van de UNESCO: “Taal is hét vehikel tot immaterieel erfgoed.” Eind 2004 hebben de Zeeuwen hun favoriete streektaalwoorden gekozen. Hier volgt hun Zeeuwse streektaal top-20: Platte zeuge - schuurborstel; ver’abbezakken – verwaarlozen; essentenden – van het ene eind tot het andere; kakkernisje – jongste (vaak verwende) kind; ruugesoot – ragebol; krikkenikke – stijve nek; murpel – knikker; hosternokke – bastaardvloek; puutoh – handje; abbelegaosie – drukte, opschudding; kokkeltje – slaapdoekje; tegare / tehare – samen; pimpampoentje – onzelieveheerbeestje; orlevinks – “aarlanderveens”, onhandig, lelijk; vosse soppen – maaltijd na het slachten; eutebeuten – scharrelen, prutsen, zich behelpen; broekomstulen – duizendschoon; verpottekroest – kapot; scherlewiets – schrijlings en verdiverdasie – vertier, ontspanning. Behalve over het Zeeuws (november 2001) verschenen er in de serie “streektalen” eerder bijdragen van Dick van Niekerk over het Limburgs (augustus 2000), Drents (november 2000), Delflands (mei 2002 en mei 2005), Gronings (juni 2001), Twents (december 2000 en augustus 2006) en West - Brabants (augustus 2002)
|