Home Locomotie 30 Voortzetting senaatszetel vergt ‘eenheid in vrijheid’
Voortzetting senaatszetel vergt ‘eenheid in vrijheid’ | Afdrukken |  E-mailadres
Locomotie 30
vrijdag, 15 juni 2007 16:12

Locomotie herfst – nummer 2006

Voortzetting senaatszetel vergt ‘eenheid in vrijheid’

door Rob Visser

Na de Statenverkiezingen van maart volgend jaar krijgen de onafhankelijke partijen de kans om voor de vierde keer een senator te kiezen. Hoog tijd voor een gesprek over de koers, de persoonlijke verhoudingen en de mogelijkheden om succes te bereiken. In het leeskabinet van de senaat nemen plaats: Hendrik ten Hoeve (OSF-senator), Emma Kraak (voorzitter vereniging OSF), Nelly Nieuwenhuizen (commissielid voor de OPD in de Staten van Drenthe) en Frons Zinken (bestuurslid en voormalig voorzitter van de Biermanstichting).

 

Wanneer het succes van lokale partijen doorzet in de provincie, is het denkbaar dat de fracties groeien. Het tegendeel is ook niet uitgesloten: doordat het aantal Statenleden afneemt, wordt de kiesdrempel hoger. Bovendien groeit het aantal partijen dat vist in de onafhankelijke vijver. Het halen van zetels wordt daarmee meer dan ooit een uitdaging.

De discussie in het leeskabinet spitst zich eerst toe op de (grondwettelijke) taak van de Eerste Kamer. Zinken heeft daarover een uitgesproken mening: “De volksvertegenwoordiging behoort een intermediair te zijn tussen het volk en de uitvoerende macht. Het is in strijd met het staatsrecht, als dezelfde partij in meer dan één bestuurslaag meedoet aan de verkiezingen. Dus ook aan verkiezingen voor de Tweede Kamer, mogen uitsluitend partijen meedoen die alleen daar vertegenwoordigd willen zijn; in de regering die wordt gevormd, mogen kabinetsleden niet partijgebonden zijn. De enige taak van de Eerste Kamer is om te beoordelen of een wetsvoorstel in strijd is met de grondwet.” Ten Hoeve nuanceert: “Ik zie het als mijn taak wetsvoorstellen te beoordelen op hun kwaliteit. Dus ik kijk niet alleen naar de constitutionele zuiverheid, maar ook naar de uitvoerbaarheid van een wetsvoorstel en of ik er inhoudelijk mee kan instemmen. Met het principe van onafhankelijkheid ben ik het natuurlijk eens, met die kanttekening dat een partij wel op meerdere bestuurslagen kan opereren. Mijn partij de FNP heeft de Friese identiteit als uitgangspunt, we dragen dat uit op lokaal en provinciaal niveau, het zou zelfs op landelijk niveau kunnen. Verder juich ik het toe dat deze discussie gevoerd wordt, zodat we kunnen streven naar eensgezindheid binnen de OSF-gelederen.” Zinken is van mening dat het lokale bestuur erbij gebaat is, als partijen niet meer gebukt gaan onder een landelijke partijdiscipline en landelijke lijsttrekkers die de campagne doorkruisen. “Wat mij betreft hadden we met de OSF twaalf jaar geleden al stappen in die richting kunnen zetten, maar ik ben het met Ten Hoeve eens dat de discussie nog steeds niet echt van de grond is gekomen. Ik hoop natuurlijk wel dat de Senaatsfractie blijft bestaan, bij voorkeur met meer zetels.”

Stroming vormen

De kans daarop kan volgens Ten Hoeve worden vergroot als de partijen die bij de OSF zijn betrokken, verkennen en benoemen wat ze gemeenschappelijk hebben. “De politiek is onvoorspelbaar, het aantal partijen in de achterban is groot, dus het is de vraag of ze het allemaal gaan redden. We hebben een gezamenlijke set uitgangspunten nodig, waarmee we een politieke stroming kunnen vormen en zo de eenheid ook op langere termijn bewaren. Belangrijk element daarin is het begrijp subsidiariteit. Dat woord betekent in de politiek meestal dat een beslissing beter in Den Haag kan worden genomen dan in Brussel, of omgekeerd. Maar voor ons ligt het accent daarbij natuurlijk op regionaal en lokaal.” Kraak wil dat geconcretiseerd zien: “Subsidiariteit lijkt me geen begrip waarmee je bergen stemmen wint, maar het principe wel. Het gaat erom dat burgers zelf invloed hebben op de komst van een zweeftrein, op de manier waarop de zorg is ingericht, op de grootte van een school.” Nieuwenhuizen vult aan: “Zie ook de bureaucratisering in de jeugdzorg, de wachtlijsten in de zorg, de toepassing van de WMO. En er is een plan om in de randstad provincies samen te voegen. Misschien is dat bestuurlijk efficiënt, net als het fuseren van gemeentes. Maar nog steeds wordt er niet nagedacht over de vraag of de burger zich in zo’n grote provincie wel betrokken voelt bij de politiek. Door te inventariseren wat onafhankelijke partijen bindt, brengen we de samenwerking tot leven. Laten we trouwens niet vergeten dat we ook veel van elkaar te leren hebben. We kunnen beter fel van leer trekken en daardoor van elkaar te weten komen waar we staan, dan achteraf constateren dat er sprake is van versnippering, zoals nu gebeurt onder de rechtse partijen die in de Tweede Kamer willen. Samenwerking is nodig, het zou zonde zijn als je ontkent dat er gemeenschappelijke ideeën zijn. Omdat in de politiek de inhoud centraal dient te staan, moet de OSF meer zijn dan een sluis voor subsidie.”

Zinken juicht een discussie over gemeenschappelijke waarden toe. “Dat valt onder de taken die de OSF als facilitair bedrijf behoort uit te voeren. Zo krijgt de OSF dezelfde rol als de VPPG, de Vereniging van Plaatselijke Politieke Groeperingen. Verder moet onze strategie bestaan uit een strikte naleving van de grondwet en van het subsidiariteitsbeginsel. Daarmee creëren we het vertrouwen dat de hedendaagse burger mist in de politiek. En natuurlijk ben ik ook tegen versplintering; naar verluidt doen er in Drenthe vier onafhankelijke partijen mee aan de Statenverkiezingen. Daar ben ik niet gelukkig mee, het schept verwarring bij de kiezer.” In het gezelschap ontstaat een discussie over de vraag of de Partij van het Noorden wel een provinciale partij is. Voor Ten Hoeve is dat niet relevant: ”De PvhN beconcurreert de FNP, dus daar heb ik moeite mee, maar principieel hebben ze wel degelijk dat recht. Iedere onafhankelijke partij mag een eigen bestuurlijke indeling nastreven en op basis daarvan haar electoraat benaderen. De kern van onafhankelijkheid is juist dat je als partij niet alleen je eigen standpunten bepaalt, maar ook beslist of je meedoet aan verkiezingen. Ook al kan het gevolg zijn dat je stemmen bij elkaar weg trekt.”

Wie is aanspreekbaar?

Kraak zet zich in om dat laatste te beperken: ”De drempel voor aansluiting bij de OSF houden we laag. Partijen moeten de grondwet onderschrijven en niet extreem links of rechts zijn. Vervolgens screenen wij of er sprake is van onafhankelijkheid. Dat schept een basis voor samenwerking, op landelijk niveau en in de provincie. Wat mij betreft doen in alle provincies onafhankelijke partijen mee, met hun eigen programma, maar wel op een gemeenschappelijke lijst. Ze krijgen allemaal subsidie van de OSF om verkiezingsspotjes te maken voor een voorkeurstem op hun kandidaten. De verkiezingsuitslag vertelt dan welke kandidaten zijn gekozen en dus ook welke programma’s er worden uitgevoerd. Mocht er maar één zetel worden gewonnen, dan kunnen de andere kandidaten zitting nemen in commissies en daar hun standpunten uitdragen. Natuurlijk bestaat er wantrouwen dat niet de hoeveelheid stemmen doorslaggevend is omdat de nummer 1 gewoon zijn zetel opeist. Dat vergt overleg en vervolgens hebben we als OSF ook na de verkiezingen nog subsidie te verdelen. Die kan zo nodig worden ingezet als drukmiddel om de afspraken na te leven. Zelf ben ik Statenlid in Zuid-Holland geweest, in een fractie van twee partijen. Daar werkte deze aanpak goed: in het fractieberaad werden standpunten uitgewisseld, waarna ieder fractielid in de eigen commissies zonder last of ruggespraak het woord voerde.”

Kortom: het verdient aanbeveling om uit te gaan van gemeenschappelijke waarden, zonder de verschillen te verdoezelen. Vrijheid blijheid: juist constructieve (en desnoods felle) discussies over inhoud en strategie kunnen helderheid geven. Dat partijen het op hoofdlijnen eens zijn, betekent niet per definitie dat ze elkaar tot in detail overtuigen. Maar tot welke acties moeten deze voornemens leiden en wie van de aanwezigen is daarop aanspreekbaar? Zinken: “Ik investeer al vijftien jaar tijd en geld in de onafhankelijke beweging en daar ga ik meer door.” Nieuwenhuizen benadrukt het belang van vertrouwen: “Ik denk dat ik te vertrouwen ben en als iemand daar anders over denkt, hoor ik graag waarom. Goede samenwerking vereist dat je elkaar af en toe de waarheid zegt en vervolgens zoekt naar overeenstemming.”

 

Hoop en succes

Van Kraak is bekend dat zij knokt om de diverse onafhankelijke partijen per provincie te bewegen tot deelname met een gezamenlijke lijst. “Ik vraag iedereen zoveel mogelijk open te staan voor elkaars ideeën en belangen. Soms word ik met enige meewarigheid geprezen voor mijn moed, maar dan kennen ze me niet. Ik blijf aansturen op goede afspraken die netjes op papier worden gezet. Mocht het niet lukken, dan heb ik nog een prachtige tuin, waar ik me in kan uitleven, maar opgeven doe ik niet. Willem van Oranje zei al dat hoop niet vereist is om ergens aan te beginnen, en succes niet om te volharden."

 

Ten Hoeve is graag bereid deel te nemen aan de inventarisatie van de gemeenschappelijke waarden. “Desgewenst geef ik leiding aan die discussie. Wat de hoogste prioriteit heeft, moet voor de verkiezingen besproken worden, de rest komt daarna aan bod. Als we wachten met deze uitwisseling verengen we eigenlijk de rol van de OSF tot die van subsidieverdeler, daarmee laten we kansen liggen om elkaar te versterken en dat was juist de bedoeling van de OSF. Ik ga ook vragen aan mijn achterban of zij vinden dat ik mijn opstelling in de Eerste Kamer goed heb verantwoord. Momenteel gebeurt dat via een nieuwsbrief en in fractievergaderingen die in de diverse provincies plaatsvinden. Op zich zijn er geen klachten, maar de agenda van de fractievergaderingen wordt vooral gedomineerd door de agenda van de Eerste Kamer. Dat is eigenlijk jammer, wat mij betreft kunnen partijen ook zelf meer punten op de agenda zetten. Zoals wij hier nu zitten, is een mooi voorbeeld van wat de OSF kan zijn. Wij komen uit vier verschillende partijen, die alle vier een heel verschillende positie hebben in hun eigen provincie. Dat er goed naar elkaar wordt geluisterd, geeft mij het gevoel dat er volop mogelijkheden zijn voor samenwerking, ook al zijn we het niet over alles eens. Laten we vanuit onze gemeenschappelijke basis en respect voor elkaar de verschillen bespreken. De macht in Nederland zullen we waarschijnlijk nooit krijgen, maar onze argumenten winnen wel aan gewicht als we, ieder vanuit zijn eigen regio en zijn eigen inkleuring, maar toch met elkaar, die argumenten naar voren kunnen brengen.

 

Het is druk in Drenthe

Een van de meest groene en rustieke provincies is Drenthe. Het politieke toneel is echter vol: maar liefst vier onafhankelijke partijen zijn van plan mee te doen aan de Statenverkiezingen op 7 maart 2007. Naast de zittende partijen, Onafhankelijke Partij Drenthe (OPD) en Drents Belang (DB), zijn dat Drentse Ouderen Partij (DOP) en Partij voor het Noorden (PvhN).

Liesbeth Beving-Philips, lijsttrekker DB: “Het belang van de burger moet bovenaan staan en niet het partijbelang. Wat ons betreft worden alle onafhankelijke krachten gebundeld om samen de verkiezingen in te gaan. Met de OPD zijn de contacten goed, met de DOP wat minder, maar wat niet is kan nog komen. Het is jammer dat de Partij voor het Noorden zelfstandig wil meedoen, zelfs in hun bakermat Groningen krijgen ze volgens mij minder steun dan verwacht. Ik hoor van burgers dat zij zich zorgen maken over deze ontwikkeling. Met de aanloop naar de verkiezingen, breekt een belangrijke fase aan. Als de onafhankelijke partijen zich richten op hoofdlijnen, moet het mogelijk zijn dat ze eenheid bereiken en samenwerken. Op die manier kan de OSF de onafhankelijke partijen in de Eerste Kamer blijven vertegenwoordigen. Zo kunnen ze de stem van de provincie vertalen naar het landelijk niveau en omgekeerd. Tevens kunnen de provinciale partijen via de OSF met elkaar ideeën uitwisselen. Drents Belang levert gevraagd en ongevraagd onderwerpen aan bij de gemeentelijke lokale onafhankelijke partijen en ik denk echt dat we ook als provinciale partijen elkaar langs die weg kunnen versterken. Ik hoop dat er vaker bijeenkomsten worden georganiseerd met alle provinciale onafhankelijke partijen, om ideeën te bespreken en een gezamenlijke visie op te stellen.”

Adrie Gaasbeek, AB-lid OSF, DB-lid Biermanstichting, hoofdbestuurslid VPPG en voormalig Statenlid: “Net zoals lokale partijen van elkaar kunnen verschillen in politieke kleur, doen ook provinciale partijen dat. Ondanks die verschillen is samenwerking noodzakelijk, maar wie zich onafhankelijk noemt, heeft daar van nature moeite mee, ook al is voor iedereen duidelijk dat eenheid macht betekent. Je hebt elkaar nodig, alleen al omdat onafhankelijke lokale partijen geen cent overheidssteun krijgen en de traditionele partijen miljoenen. Bij de VPPG dringt langzaam door dat onafhankelijke partijen op provinciaal niveau hun natuurlijke partners zijn. Ik zwengel daarover discussies aan, maar het moet voorzichtig gebeuren, want lokale partijen hebben een hekel aan het idee dat ze ‘gestuurd’ worden. Ik denk dat het OSF-bestuur te optimistisch is over de kansen op samenwerking in Drenthe. Zoals het er nu naar uitziet, doen vier partijen mee die geen van allen de verhoogde kiesdeler zullen halen. De OSF had in 1999 ook al overtrokken verwachtingen, toen ging het over de toelatingscriteria voor onafhankelijke partijen. Ook partijen die geen Statenleden hebben en dus ook geen stempunten voor de senator opleveren kunnen participeren in bestuursfuncties binnen de OSF en zo meeprofiteren van de geldelijke middelen. Dit betekent een uitholling van de organisatie en een belemmering voor het bundelen van de krachten bij de voorbereiding van de verkiezingen in 2007. Het zijn lapmiddelen waarmee de OSF probeert de lokale partijen aan zich te binden, dat werkt niet, het schrikt lokale partijen eerder af. Als na 7 maart 2007 de OSF weer senatoren kan leveren, moet er dus een totaal andere organisatie komen, met een belangrijke rol voor de provincies Zuid-Holland en Noord-Brabant.”

Teun Jan Zanen van de Partij voor het Noorden heeft niet gereageerd op de vragen voor dit artikel.

Theo van Swol, interim-voorzitter van de VPPG:

‘Bestaansrecht bewezen’

“Lokale partijen hebben een kwart van het kiezerspotentieel weten te verzamelen. Vertaald naar de Eerste Kamer zou dat betekenen dat de OSF niet 1, maar 28 zetels krijgt. In de door mij onderschreven PoN-filosofie (PoN staat voor Partijen Op Niveau), mogen partijen niet op meer dan één bestuurslaag meedoen aan de verkiezingen. Om die ideaalsituatie te bereiken moet er nog heel wat gebeuren. Politiek handelen is een menselijke activiteit en vele menselijke eigenschappen, zoals het nastreven van eigenbelang, belemmeren vaak het bereiken van idealen. Onafhankelijke partijen op provinciaal en lokaal niveau zijn elkaars natuurlijke bondgenoten. In diverse provincies zie ik een begin van een doorbraak, zoals een platform van lokale partijen waarin de provinciale politiek aan de orde kan komen. De vraag is echter of dat op 7 maart 2007 al effect zal hebben. Op de langere termijn is dat zeker het geval: lokale partijen hebben nu een eigen kanaal naar de Staten. Ze kunnen hun stem laten horen, ze ontvangen de desbetreffende stukken en ze kunnen rechtstreeks ambtenaren benaderen. Bovendien kunnen de deelnemende lokale partijen op deze manier hun beleid op elkaar afstemmen. Al met al hebben onafhankelijke politieke partijen hun bestaansrecht in de provincies ruimschoots aangetoond, het wordt tijd dat ze daar zelf meer van profiteren.”

Laatst aangepast op donderdag, 25 december 2008 13:42