Home Locomotie 31 OSF - Old Spaghetti Factory?
OSF - Old Spaghetti Factory? | Afdrukken |  E-mailadres
Locomotie 31
maandag, 03 december 2007 16:06
OSF - Old Spaghetti Factory?
door Helene Stafleu

Wie op zoek naar de Onafhankelijke Senaats Fractie in het zoekscherm www.osf.com intoetst, krijgt het wel en wee te zien van The Old Spaghetti Factory. Een Amerikaanse restaurantketen die een lage prijs combineert met een dragelijke kwaliteit en die mede succesvol is door haar sfeervolle vestigingen in cultuurhistorisch interessante panden.

Onze Nederlandse OSF (OSF.nl) heeft wel iets weg van haar Amerikaanse naamgenoot. Soms lijkt ze een spaghettifabriek, waar de pastamolen steeds nieuwe partijen uitdraait die voortdurend van vorm, of in elk geval van naam veranderen. Aan de komende Statenverkiezingen doen maar liefst eenentwintig provinciale partijen mee, waarvan de meeste zijn aangesloten bij de OSF. Dat geeft soms tumult, zoals toen de Partij voor het Noorden, voorheen alleen actief in Groningen, besloot om ook in Fryslân en Drenthe aan de Statenverkiezingen deel te nemen.
Aloysia Jetten, Statenlid voor de Brabantse Partij, was daar niet over te spreken: “Voor de meeste partijen die nu slechts één zetel hebben zal het een hele toer worden deze zetel te behouden. Maar ook onze vertegenwoordiging in de Eerste Kamer staat op het spel. Als we die kwijt raken, door te weinig zetels in de Provinciale Staten, scheelt dat veel geld, informatie en invloed. Dan zullen ook de OSF en de Bierman Stichting ter ziele gaan. Dat zet de onafhankelijke partijen nog meer op afstand ten opzichte van de landelijke partijen.” Ze riep op tot samenwerking, want “Eendracht maakt macht, ook eenheid in vrijheid”. De Onafhankelijke Partij Drenthe reageerde eveneens negatief op de stap van de PvhN.
Teun Jan Zanen van de gewraakte partij laat weten: “Vanuit de OSF werden wij benaderd met het dringende verzoek om mee te werken aan een bundeling van alle onafhankelijke partijen per provincie. Daartoe hebben wij ons bereid verklaard. Het zou dan gaan om het vormen van één lijst per provincie waarop al die regionale partijen plaats zouden nemen. Ieder kon voor de eigen kandidaten en het eigen programma actie voeren. Hoewel daardoor de zichtbaarheid voor de kiezers van de Partij voor het Noorden sterk zou verminderen, zou bundeling van krachten bij kunnen dragen aan het gezamenlijk behalen van enkele zetels. En inderdaad, het voortbestaan van de OSF is in het geding. Emma Kraak (voorzitter OSF – red.) heeft zich met alle betrokkenen verstaan. Ons werd gemeld dat achtereenvolgens de Drentse Ouderenpartij, de FNP, Drents Belang, de Federatie Gemeentebelangen Friesland en de OPD niet aan een dergelijke constructie wilden meewerken. Iedereen wilde zelfstandig de verkiezingen in. De Partij voor het Noorden bleek uiteindelijk als enige over te blijven. Emma had als laatste mogelijkheid voor ons nog de Federatie van Ouderenpartijen in de aanbieding. Deze in Groningen niet bestaande partij en -voorzover ze in Drenthe wel zou bestaan - dan tegenover de DOP. Deze constructie, waarbij alle andere OSF-partijen hadden afgehaakt en wij werden gekoppeld aan een onbekende ouderenpartij, was voor ons een brug te ver. Helaas. Hopelijk presteren de diverse partijen toch zodanig, dat ieder ten minste één zetel haalt. In dat geval valt de schade voor de OSF mee.”

Senator ten Hoeve, zelf afkomstig uit de FNP, reageerde overigens lankmoedig op het geval: ”De PvhN beconcurreert de FNP, dus daar heb ik moeite mee, maar principieel hebben ze wel degelijk dat recht. Iedere onafhankelijke partij mag een eigen bestuurlijke indeling nastreven en op basis daarvan haar electoraat benaderen. De kern van onafhankelijkheid is juist dat je als partij niet alleen je eigen standpunten bepaalt, maar ook beslist of je meedoet aan verkiezingen. Ook al kan het gevolg zijn dat je stemmen bij elkaar weg trekt.”

 To Pon or not to Pon
Als we de PON filosofie (Politiek Op Niveau) serieus nemen, zullen we dus moeten accepteren dat er in elke provincie verschillende provinciale partijen kunnen zijn.*
Johannes Kramer, voorman van de FNP, stelt echter: “Bij mijn weten heeft de OSF de PON-filosofie niet in haar statuten opgenomen als uitgangspunt voor het politiek handelen. Bij de FNP spreken we van federalisme als uitgangspunt. Zo staat het ook in ons programma. Wij staan overigens wel sympathiek tegenover de gedachte dat de provinciale en lokale politiek niet beheerst moet worden door landelijke filiaalpartijen. Om macht te ontwikkelen en effectief mee te regeren is het in ons politieke systeem wel noodzakelijk om grote versnippering tegen te gaan en waar mogelijk samen te werken. Een filosofie die alleen gaat over de beste democratische vertegenwoordiging schiet op het punt van machtsvorming en bestuur tekort.”
“Maar laat ons er eens van uitgaan dat elke partij uitsluitend op zijn eigen niveau zou opereren. We gaan daarbij, om de spelregels nog maar eens duidelijk te stellen, uit van de drie niveaus in ons staatsbestel: Rijk, Provincie en Gemeente. Dan is er dus ook geen plaats voor een regionale partij in de Tweede Kamer. De werkelijkheid is echter dat het een ieder vrij staat om op elk niveau aan de verkiezingen mee te doen, met als gevolg verschillende provinciale partijen in diverse provincies. Dat is geen uitvloeisel van een PON-filosofie maar van de democratie, het kiesstelsel en de politieke realiteit zoals wij die kennen, ook binnen de OSF.”

John Kromhout, voorzitter van de Partij Nieuw Limburg neemt zelfs radicaal afstand van de PON-gedachte: “Wanneer wij de ontwikkelingen in onze provincie zien, is dit geen gemeengoed meer. Provinciale politieke partijen komen vaak voort uit lokale partijen. Deze lokale partijen willen een vertegenwoordiging in de provincie en in onze ogen is dit goed. Wij hebben er dan ook voor gekozen terug te gaan naar de basis van de partij, als vertegenwoordiger van de lokale partijen in de provincie. Met deze opstelling zijn er verschillende politieke lokale partijen teruggekomen.”
“De PON gedachte is voor ons passé. Wij vragen ons ook reëel af of er nog plaats is voor dit soort partijen, kijk alleen al naar de partijen die allemaal hebben meegedaan bij de landelijke verkiezingen en de kiesdrempel niet hebben gehaald.”

Jef Burger, voorzitter van de stichting ir. Marten Bierman, ziet ook het meeste toekomst in de wisselwerking met lokale groeperingen. Bovendien pleit hij voor een betere organisatie. “Het is de vraag of we het gaan redden deze keer, maar als het lukt dan moeten er dingen veranderen. De secretariaten van OSF en Biermanstichting moeten bij elkaar komen want zo werkt het niet. In twaalf jaar tijd is er eigenlijk niets van de grond gekomen. Die stilstand werkt demotiverend.” Burger heeft het initiatief genomen tot de website www.lokalo’s.nl “Daar staan alle lokale partijen op van Nederland. Alleen de lokale partijen in de deelraden in Amsterdam en Rotterdam zitten er nog niet bij. We spreken over ruim 740 lokale partijen en daar zit je doelgroep, daar moet je contact mee houden.”

Bestaansrecht bewijzen

Maar ook als provinciale partijen een bundeling zijn van lokale groepen, blijft het fenomeen concurrentie zich voordoen. Volgens sommigen is dat maar goed ook. Partijen bewijzen hun bestaansrecht immers door bij de verkiezingen stemmen te vergaren. Teun Jan Zanen, misschien niet toevallig een vertegenwoordiger van een partij die steeds succes heeft gehad bij verkiezingen, onderschrijft dit: “In de concurrentie tussen de deelnemende partijen gaat het om de verschillende politieke filosofieën die met elkaar wedijveren om de kiezersgunst. De uitkomst van verkiezingen is niet alleen een kwestie van nieuwe machtsverhoudingen, maar ook een aanwijzing over de inhoud van het toekomstige beleid. De kiezer beslist.”

Adrie Gaasbeek van Actief Drenthe werpt tegen: “Het is niet juist om het bestaansrecht van partijen af te meten aan hun succes bij de verkiezingen. Er is op de datum van de verkiezingen sprake van een momentopname; afhankelijk van velerlei omstandigheden welke in hoge mate beinvloed worden door de media.” en John Kromhout stelt: “Het probleem is dat met name kleinere partijen, die toch ook hun waarde hebben voor de democratie, het steeds moeilijker krijgen. Zij zijn afhankelijk van giften, oud papier en heel weinig subsidies. Landelijke partijen krijgen per definitie veel geld en kunnen daarmee het “bestaansrecht” veel duidelijker maken aan de kiezer.”

Anders dan Kromhout, die wijst op het belang van subsidiëring, benadrukt Johannes Kramer de noodzaak om je als partij te blijven inspannen: “Partijen moeten hun bestaansrecht ook buiten verkiezingstijd bewijzen. Het gaat erom een duurzame band met de kiezer te smeden. Tussentijds als partij verantwoording afleggen over de genomen besluiten is in een stelsel van vertegenwoordigende democratie net zozeer van belang als tijdens de verkiezingen. De nadruk op verkiezingen als brandpunt van de democratie is dus een te smalle benadering. Het dagelijks zichtbaar en actief meewegen van argumenten en overtuigingen vanuit de politieke achterban en de rest van de maatschappij betrekt de kiezer bij het politieke proces. Vanuit die basis kunnen we een stabiele bijdrage leveren aan de democratie en het openbaar bestuur.”