Home Locomotie 32 Het roer om in de regio
Het roer om in de regio | Afdrukken |  E-mailadres
Locomotie 32
maandag, 03 december 2007 14:23

Naar een nieuw kompas voor welvaart
Het roer om in de regio

Door Karin Majoor en Kirsten Kuipers

De veelbesproken film ‘An Inconvenient Truth’ confronteert ons opnieuw met de grenzen aan de groei. Zijn sociale, ecologische en economische doelen nog te verzoenen? Er gaan steeds meer stemmen op dat de uitdaging waar we voor staan juist op lokaal en regionaal niveau moet worden opgepakt. Of mensen bereid zijn tot verandering en tot het nemen van verantwoordelijkheid hangt samen met de vraag of ze vanuit hun identiteit een binding voelen met een gebied. Dit artikel biedt bouwstenen voor visieontwikkeling op lokaal en regionaal niveau. Het is onder meer gebaseerd op onderzoek medegefinancierd door de Stichting Ir. Marten Bierman en uitgevoerd aan de Radboud Universiteit Nijmegen.

De fysieke ruimte om te leven is beperkt tot de grootte van onze planeet. Niet iedereen gebruikt een evenredig deel van de beschikbare ruimte, door verschillen in de mate van consumptie. Alles wat we eten, aantrekken, gebruiken en kopen wordt ergens geproduceerd en moet ook worden vervoerd. De mate van consumptie is dus bepalend voor de ruimte die we in beslag nemen. Met behulp van de Mondiale Voetafdruk, kortweg Voetafdruk, zijn we in staat om met een getal, uitgedrukt in hectares, aan te geven hoeveel oppervlakte aarde per persoon dat is.  Als we de Voetafdruk van verschillende landen naast elkaar leggen, dan is het geen verassing als we zien dat de Voetafdruk van rijke landen veel groter is dan die van arme landen. Het is dus niet gelijk verdeeld.
Niet alleen is de ruimte die we innemen ongelijk verdeeld, we zijn ook bezig om de aarde tot een onleefbare planeet te maken. Dit komt door ons voortdurend op productiegroei gerichte economische systeem. De kwaliteit van leven voor onszelf, mensen elders in de wereld en generaties die na ons komen staat onder druk. De natuurlijke rijkdommen van de aarde raken uitgeput ten behoeve van winsten voor de korte termijn, voor slechts een beperkt deel van de wereldbevolking.
De vraag is nu hoe we deze koers kunnen ombuigen in duurzame richting. Uit verschillende hoeken komen pleidooien voor nieuwe economische ontwikkelingsperspectieven waarin de regio centraal staat.  Weliswaar is nog veel discussie over wat dan de schaal en omvang van de regio zou moeten zijn, maar een gemeenschappelijk element is het belang dat wordt gehecht aan PLAATS. Het gaat in de alternatieve visies om een duurzame regionale en lokale economie die uitgaat van de plaats waar mensen wonen. Of mensen bereid zijn tot verandering en tot het nemen van verantwoordelijkheid hangt samen met de vraag of ze vanuit hun identiteit een binding voelen met een gebied. Daarbij is het interessant te bedenken dat uit onderzoek is gebleken dat ongeveer vijftig procent van de Nederlanders, dwars door alle politieke gezindten heen, een maatschappijvisie voor de toekomst steunt waarin de regio een belangrijke rol gaat spelen, en waarbij voor lief wordt genomen dat de economie niet voortdurend groeit. In het rapport ‘Kwaliteit en toekomst. Verkenning van duurzaamheid’ (RIVM/TNS-NIPO, 2004) vindt het wereldbeeld en de toekomstvisie van de zogenaamde ‘Zorgzame Regio’ de meeste steun, meer dan visies gericht op prestatiedwang, competitie, mondialisering of veiligheid.

De zorgzame regio
Behoud of bevordering van de ‘kwaliteit van leven’ is een terugkerend thema in veel publicaties over duurzame ontwikkeling en de toekomst van de welvaartstaat. Wat de kwaliteit van leven betekent, verschilt per persoon. Het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) onderzocht in samenwerking met het Milieu- en Natuurplanbureau de maatschappelijke waardes die mensen hechten aan de kwaliteit van leven hier en nu, en daar en later . Het onderzoek is gebaseerd op vier wereldbeelden . Elk wereldbeeld heeft zijn eigen idee over wat de kwaliteit van leven  is, en hoe dat bereikt kan worden. Van de Nederlandse bevolking vindt 45% zich in het wereldbeeld van de Zorgzame Regio, een grote meerderheid dus.

In het genoemde onderzoeksrapport wordt de Zorgzame Regio beschreven alsof deze er al zou zijn: “In de Zorgzame Regio vormt de economie geen doel op zich en leidt inkomensgroei niet per se tot meer geluk. Minstens zo belangrijk zijn gemeenschapszin, burgerlijke verantwoordelijkheid, sociaal-culturele diversiteit, zelfbeschikking, vrije tijd, gezondheid, een schoon milieu en gemeenschappelijke identiteit. Daarnaast is er een sterke regionale oriëntatie op producten uit de eigen omgeving, en een groot vertrouwen in lokaal bestuur en zelfvoorziening. Gelukkig nemen steeds meer mensen hun eigen verantwoordelijkheid bij de aanpak van milieuproblemen als klimaat, mest en visvoorraden, ook al is hun aandeel nu nog vrij klein. Steeds meer mensen besluiten uit de ‘rat race’ te stappen en kiezen voor hun eigen gezondheid en het welbevinden van de eigen familie. De markt voor ecologisch betrouwbare producten (bij voorkeur uit eigen streek) en producten die rechtstreeks bijdragen aan het inkomen van kleine boeren in ontwikkelingslanden neemt sterk toe, ook al moet daarvoor meer betaald worden. Maar hulp aan armere landen loopt ook prima via vertrouwde liefdadigheidsinstellingen en hulporganisaties. In steeds meer gemeenten wordt voorrang gegeven aan het behoud van waardevol cultuurhistorisch erfgoed en landschap, ondanks de druk vanuit het bedrijfsleven. In de zorgzame regio is de sociaal-culturele identificatie met de eigen regio van belang. Er is echter ook een streven naar minder materiële kanten van kwaliteit van bestaan, zoals het gevoel bij de gemeenschap te horen en respect voor de natuur”. (RIVM, pag. 63)
Kunnen politieke partijen die zich als regionaal onafhankelijk stellen, een praktische uitwerking geven aan ‘de Zorgzame Regio’, en hoe dan? Twee relevante toekomstgerichte visies kunnen hierbij dienen. De eerste is een methode en organisatie: ‘The Natural Step’, bedacht en opgericht door prof.dr. Karl-Henrik Robèrt.

The Natural Step als kompas voor duurzame ontwikkeling
Karl-Henrik Robèrt, oorspronkelijk een befaamde kankerchirurg uit Zweden, worstelde met de vraag hoe het kan dat we bezorgd zijn om het welzijn van onze kinderen en hun toekomst, terwijl we tegelijkertijd onze leefomgeving om zeep helpen. In plaats van samen te werken aan duurzame oplossingen die de aarde leefbaar houden, blijven we ruzie maken over de beste manier om dit te bereiken. Robèrt vroeg zich af waarom er zo weinig overeenstemming bestond tussen alle betrokken partijen. Hij karakteriseerde de discussie over een duurzame wereld met het beeld van een boom, waarbij alle experts als apen op verschillende takken zitten: we horen niets anders dan ‘chatter amongst the leaves’, heen en weer geklets tussen de bladeren. Alle discussie tussen de experts levert weinig vooruitgang op voor natuur en milieu. In zijn constructieve benadering van dit probleem gebruikt Robert het beeld van de boom: iedere expert zit weliswaar op zijn eigen tak in de boom tussen het gebladerte, maar de takken maken deel uit van een gezamenlijke boom. Door te kijken naar de stam van de boom – die symbool staat voor principes en uitgangspunten – valt er te werken vanuit gezamenlijkheid. Robèrt stelt dat we alleen door het delen van dezelfde duurzaamheidprincipes, perspectieven en visies kunnen komen tot een goede samenwerking: “Als een grote groep mensen op een gecoördineerde manier samen wil werken, moeten ze een gezamenlijk idee hebben van het systeem waar ze deel van zijn”.  Dit systeemdenken resulteerde in de oprichting van een organisatie en methode: The Natural Step. In dit geval bestaat het systeem uit de hele ecologische structuur van de aarde. Het doel van de Natural Step is om een maatschappij te ontwikkelen, waarin we zodanig creatief en innovatief worden dat we natuurlijke hulpbronnen niet sneller consumeren, dan dat ze vervangen kunnen worden.
Wat is het strategisch en praktisch belang van bedrijven en gemeenten om hiermee rekening te houden? Robèrt gebruikt bij wijze van antwoord het beeld van een trechter waarbij het wijde deel de huidige situatie van de mensheid weergeeft: hier wordt vaak gehandeld alsof er geen ecologische en sociale grenzen zijn. De versmalling in de trechter wijst op de grenzen waarmee het bedrijfsleven en de mensheid vroeg of laat wordt geconfronteerd. Milieuwetgeving wordt aangescherpt en energieprijzen verhoogd als het voor overleven nodig is; de ongelijkheid in de wereld qua welvaart en mensenrechten, kan niet ongelijk blijven of groeien. In die situatie zullen alleen de bedrijven met een vooruitziende blik en pro-actieve benadering overleven, omdat ze op tijd hun omgeving hebben verkend en betrokken in hun beleid. Zij laten zich niet verrassen en weten bij te sturen, zodat ze zonder problemen als eerste door de versmalling van de trechter kunnen passeren, zonder noemenswaardige schade. Diegenen die alleen naar de korte termijn kijken, zullen het moeilijker krijgen dan de lange termijn planners. Robèrt richt zich met zijn organisatie nadrukkelijk niet alleen op bedrijven, maar ook op gemeenten: "The perfect scale for the creation of socially and ecologically sustainable role models … is at the municipality level - close to people as it is... Municipalities hold the key to a sustainable world in their hands."

 Van afhankelijkheid naar meer ‘self-reliance’
Een tweede voor gemeenten en regio’s relevante toekomstvisie is die van de Amerikaan Michael Shuman. In zijn boek ‘Going Local. Creating Self-Reliant Communities in a Global Age’ (2000) beschrijft de jurist en econoom Michael Shuman lokale en regionale economische ontwikkelingen in de Verenigde Staten van de laatste decennia. Steeds meer kleinere ondernemers leggen het in de strijd om het bestaan af tegen grote multinationale bedrijven (zoals bijvoorbeeld Walmart). Hierbij komen gemeenschapsbelangen in de verdrukking. Waar bedrijfsbelangen de overheidsagenda’s bepalen, wordt het steeds moeilijker voor gemeenten en regio’s om verantwoorde afwegingen te maken en een evenwichtig en toekomstgericht beleid te voeren, dat in het belang van de gemeenschap is. Voor Shuman zijn bedrijven die aan de lokale gemeenschap gebonden zijn, de belangrijkste duurzame welvaartsbron voor de gemeenschap.
De vraag is, zo waarschuwt Shuman, of we op lange termijn zo blij moeten zijn met de grote multinationale ondernemers die geen wortels hebben in de lokale of regionale gemeenschap. Hun komst brengt vaak grote ecologische achteruitgang en verlies van kwaliteit van leven met zich mee, door de aanleg van nieuwe bedrijventerreinen en benodigde infrastructuur. Sociaal gezien leidt het vaak tot verdringing van de lokale MKB-ondernemers. Het kapitaal van de grote ondernemingen blijft voor het grootste deel niet in de lokale of regionale gemeenschap. Het economische multipliereffect van grote (multinationale) ondernemingen, ofwel de economische aanjaagfunctie voor de lokale economie, wordt overschat. Het kapitaal wordt vermeerderd en verdwijnt vervolgens naar hoofdkantoren of vestigingen en aandeelhouders in andere delen van het land of de wereld, waar men geen enkele binding heeft met wat er lokaal of regionaal rond de productiefaciliteit gebeurt.

Door je afhankelijk te maken van krachtige economische spelers en kapitaal van buitenaf, verzwak je als gemeente of regio je eigen (economische) positie. Grote (internationale) ondernemingen hebben vaak geen binding met de plaats waar ze gevestigd zijn. Als er elders meer te verdienen is, vertrekken ze even gemakkelijk als ze gekomen zijn. Hun grootste belang is groeien en winst maken. Eventuele andere belangen zijn daaraan ondergeschikt of daaraan dienstig. Shuman laat zien hoe gemeenten en regio’s verslaafd kunnen raken aan kapitaal en economische slagkracht van buitenaf. Inderdaad werkt de komst van een grote (nationale of multinationale) onderneming oppervlakkig bezien als pepmiddel voor de lokale economie. Echter bij vertrek van de grote economische spelers leidt dit lokaal of regionaal tot een sociale en economische crisis (plotselinge werkloosheid, hoge maatschappelijke kosten ten behoeve van uitkeringen enzovoorts, geen nieuwe economische perspectieven, braakliggend bedrijfsterrein of industriegebied, leegstand in kantoorgebouwen) die men niet gemakkelijk meer te boven komt.
Shuman laat zien dat het lokale en regionale MKB dat plaatsgebonden is – vaak al van oudsher, bijvoorbeeld bij familiebedrijven – van groot belang is voor duurzame lokale en regionale economische veerkracht. Deze bedrijven dragen niet alleen bij aan het behoud en de opbouw van lokaal financieel kapitaal maar ook van sociaal, fysiek, natuurlijk en menselijk kapitaal. Het is van groot belang burgers van gemeenten en regio’s te doordringen van het feit dat hun bestedingen niet alleen hun directe individuele eigenbelang dienen, maar ook effect hebben op de lokale en regionale economie. Wie bijvoorbeeld koopt bij de Walmart is op korte termijn weliswaar goedkoop uit, maar lijdt als deel van de lokale gemeenschap op lange termijn schade omdat het leidt tot een erosie van de lokale economische veerkracht. Het kapitaal vloeit weg naar elders.
Shuman laat ook indringend zien dat een kwalitatief goed product dat op duurzame wijze gefabriceerd is, om energie, materialen, ruimte, tijd, aandacht en zorg vraagt. Je moet rekening houden met de levenscyclus van het product, zorgen voor de vernieuwing van grondstoffen die je hebt gebruikt en verbruikt, een eerlijk loon betalen aan je medewerkers, rekening houden met de omgeving (natuur en milieu, landschap, biodiversiteit) en gemeenschap waarbinnen je gevestigd bent en van wiens ruimte en voorzieningen je gebruik maakt. Conclusie is dat het niet gemakkelijk is een duurzaam product te maken dat ook nog eens heel goedkoop is. Consumenten die een duurzaam, eerlijk geproduceerd product willen kopen, moeten bereid zijn daar een navenante prijs voor te betalen.
Als producent zijn er twee manieren om de prijs voor de consument te laten dalen: je kunt als producent of als kapitaalverschaffer genoegen nemen met minder winst - en dat ligt niet voor de hand binnen een op voortdurende groei gericht economisch systeem - of je kunt kosten besparen door sociale en ecologische duurzaamheid minder zwaar te laten wegen in je bedrijfsvoering. Dat gaat eenvoudig door kosten af te wentelen daar waar ze niet verrekend worden en waar niemand protesteert tegen de aangerichte schade. Degenen die op lange termijn schade lijden zijn enerzijds de stemloze toekomstige generaties en natuur en milieu, en anderzijds armere lokale en regionale gemeenschappen die geen ‘nee’ kunnen of durven zeggen, omdat ze zich economisch afhankelijk hebben gemaakt en op korte termijn extern kapitaal nodig hebben om te overleven. Op die manier leidt de door de WTO bejubelde winst voor de individuele consument (lagere prijzen) tot inter- en intragenerationele kostenposten (schade) voor de gemeenschap.

Stimuleer de lokale en regionale economie
Shuman bepleit een heel ander perspectief voor gemeenten en regio’s. Ten eerste kan een gemeente zich - in plaats van jacht maken op uiteindelijk disloyale grote bedrijven van buiten - toeleggen op de ontwikkeling en stimulering van kleine bedrijven die in lokale eigendom zijn. Ten tweede kan ze - in plaats van het propageren van exportgerichte ontwikkeling - economisch beleid juist richten op het bevorderen van importvervangende economische ontwikkeling, die de lokale economische onafhankelijkheid bevordert. Door productie en consumptie dicht bij elkaar te houden in de regio - voor zover mogelijk – valt er bovendien meer te sturen op sociale en ecologische criteria voor productie en consumptie en is de ecologische voetafdruk van stad of regio te verkleinen. En ten derde kan een slimme gemeente meer lokale zeggenschap in plaats van extra middelen opeisen van hogere autoriteiten en de nationale staat.

Conclusie
Wie lokaal en regionaal de koers wil verleggen in duurzame richting moet beschikken over goede stuurmanskunst en een goed kompas. Sociale, ecologische en economische doelen kunnen samengaan, mits men bereid is verouderde economische visies op welvaartsgroei ter discussie te stellen. Onafhankelijke partijen kunnen in het maatschappelijk debat hierover op lokaal en regionaal niveau voor vernieuwing zorgen, juist door hun relatief vrije positie – los van landelijk sturende partijorganen. Dit artikel heeft een aantal vernieuwende perspectieven aangedragen die van nut kunnen zijn bij het vormgeven aan duurzame toekomstvisies voor stad, dorp of regio. Zowel het werken met de ecologische voetafdruk als het werken vanuit gedeelde waarden en systeemkennis zijn van belang voor het vinden van een nieuwe focus voor beleid. Ook het inzicht dat de lokale en regionale economie vorm krijgt, afhankelijk van de keuzen die we als bestuurders, burgers en consumenten maken is daarbij essentieel. Juist lokaal en regionaal kan een nieuwe, brede visie op onze omgang met kapitaal, concreet worden. Vereniging Loesje zei het vijftien jaar geleden al: “de toekomst is niet wat gaat gebeuren, maar wat wij zullen doen.” Slagen we erin bij onze beslissingen naar de lange termijn te kijken? Is het mogelijk de verschillende kapitaalsvoorraden – sociaal, menselijk, fysiek, natuurlijk en financieel - gelijkwaardig te behoeden en doen bloeien? Wie meer wil lezen over deze onderwerpen verwijzen we naar de literatuurlijst onderaan dit artikel en naar de diverse genoemde websites. Het komende jaar wil de Radboud Universiteit Nijmegen proberen Karl-Henrik Robert en Michael Shuman naar Nederland te halen voor gastlezingen. Wie geïnteresseerd is, kan zich op de lijst belangstellenden laten plaatsen door zich aan te melden via onderstaande emailadres. 

1) www.voetenbank.nl

2) onder andere Stichting Aarde, The Natural Step, Rapport RIVM, Michael Shuman.

3) Het TNS-NIPO heeft onderzoek gedaan onder de Nederlandse bevolking, om zicht te krijgen op de maatschappelijke waarden. Gebleken is dat de keuze voor een bepaalde kwaliteit van leven en de opvatting over de manier waarop die kwaliteit verdeeld zou moeten worden, uit dezelfde waardenoriëntaties voortkomen. Deze combinaties zijn op te vatten als ‘wereldbeelden’. (blz. 13)

4) Mondiale Markt, Mondiale Solidariteit, Veilige Regio en Zorgzame Regio zijn de wereldbeelden waar het onderzoek op gebaseerd is. Zie Hoofdtstuk 2: ‘Wereldbeelden en duurzame ontwikkeling’, van het RIVM rapport.
 

Literatuur
- James, Sarah & Torbjörn Lahti, (2004) The Natural Step for Communities. How Cities and Towns can Change to Sustainable Practices. Gabriola Island Canada: New Society Publishers.
- Robèrt, Karl-Henrik, (1997) The Natural Step. A Framework for Achieving Sustainability in Our Organizations. Cambridge: Pegasus Communications.
- RIVM, Rijkinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (2004)    Kwaliteit en toekomst. Verkenning van duurzaamheid. Bilthoven: SDU uitgevers.
- Shuman, Michael H., (2000) Going Local. Creating Self-Reliant Communities in a Global Age. New York: Routledge.
- Juffermans, Jan (2006) Nut & noodzaak van de mondiale voetafdruk. Over de mondiale gebruiksruimte, duurzaamheid en mensenrechten

Laatst aangepast op maandag, 03 december 2007 14:26