Home Locomotie 33 De boer wordt ‘gebiedsondernemer’
De boer wordt ‘gebiedsondernemer’ | Afdrukken |  E-mailadres
Locomotie 33
maandag, 03 december 2007 13:12
De boer wordt ‘gebiedsondernemer’

door Dick van Niekerk

Steeds meer boeren doen er iets bij. Wie gaat fietsen op het platteland, kan moeiteloos een kampeergelegenheid bij de boer vinden. Met een beetje geluk kan hij een paar kilometer verderop ook nog kanoën bij de boer of boerengolf spelen.
Het plattelandstoerisme ontwikkelt zich spectaculair. Dat is plezierig voor de boeren die zo uit de rode cijfers willen blijven.
Toch roept de ontwikkeling ook vragen op. Is er geen sprake van wildgroei? Hoe zit het met de concurrentie ten opzichte van de recreatiesector? De hogeschool INHOLLAND in Delft heeft het initiatief genomen om deze en andere vragen, gericht op de gemeente Midden-Delfland, uit te werken in een driedaagse cursus plattelandstoerisme voor voornamelijk agrarische ondernemers. 

Een winterparkeerplaats voor caravans, kookcursussen, zorgboerderijen, huifkartochten, jeu de boer of koeknuffelen. Het is maar een willekeurige keuze uit de activiteiten die worden opgesomd in het boekje “Alle leuke adressen op het platteland” . Het bevat bijna driehonderd pagina’s met adressen van boerenbedrijven in Nederland en België, waar men zich kan overgeven aan de meest uiteenlopende plattelandsactiviteiten. “Adressen waar je het buitenleven kan opsnuiven, voelen en beleven (…).’s Ochtends de lammetjes voeren en meehelpen op de boerderij, ’s middags fietsen en daarna kamperen bij de boer. Hoe heerlijk kan het leven op de boerderij zijn!”, lezen we op de achterflap.

Een derde stopt ermee
Deze profilering, ja verheerlijking, van het plattelandsleven heeft alles te maken met de dramatische ontwikkelingen binnen de landbouwsector. Laten wij de situatie in Noord-Brabant, ooit door oud-landbouw minister Gerrit Braks een “agrarische superprovincie” genoemd, als maatstaf voor Nederland nemen. Als we Marianne van der Heijden van de Zuidelijke Land- en Tuinbouworganisatie (ZLTO) moeten geloven, zal in Brabant een derde van de boerenbedrijven moeten stoppen, een derde gaan uitbreiden en een derde er iets bij gaan doen.
De ZLTO schat het aantal “bijklussende” boeren alleen al in Brabant op een kleine 1500. In jargon vertaald betekent dit dat ze zich met “verbrede landbouw” zijn gaan bezig houden. De ZLTO onderscheidt in Brabant vier soorten van verbrede landbouw. Er zijn 85 boerderijwinkels, 80 zorgboerderijen, liefst 250 à 300 bedrijven die zich toeleggen op “agrotoerisme” (bijvoorbeeld kanoën of golfen bij de boer) en ongeveer duizend bedrijven die zich richten zich op agrarisch natuurbeheer. In sommige gevallen groeit de nevenactiviteit zelfs uit tot een hoofdactiviteit. Een voorbeeld daarvan is Zorgboerderij Chaamdijk in Chaam, die opvang biedt aan 32 mensen met een verstandelijke handicap. Tachtig procent van de inkomsten van de Chaamse zorgboerderij komt uit de zorg, mede omdat er voor zorgboerderijen een aanlokkelijke subsidieregeling bestaat. Nog maar twintig procent van de inkomsten komt uit agrarische activiteiten.

Dit beeld van de situatie in de Brabantse landbouw kan zonder veel afwijkingen model staan voor de (verbrede) landbouw in andere provincies.
Van de vier gemelde categorieën van nevenactiviteiten geeft vooral de keuze voor agrotoerisme, met alle activiteiten die eruit voortkomen, een ingrijpend nieuwe kleur aan de naaste leefomgeving en regio. Vooral de explosieve groei van minicampings-bij-de-boer valt in deze categorie op. Bedrijfsmatig gezien is de creatieve dadendrang van de noodlijdende agrariërs natuurlijk begrijpelijk en ook prijzenswaard. Maar er zijn ook kritische kanttekeningen bij te maken.

Dezelfde basiseisen
Bijvoorbeeld door Alex Wassink die bedrijfsleider is van camping De Papillon in Denekamp (Overijssel) en die de landbouwproblematiek van nabij kent. Wassinks camping kreeg in 2000 de Nationale Toekomstprijs vanwege de voorbeeldige aanpak van de duurzaamheidsaspecten bij het kamperen. 
“Een paar jaar geleden hadden we hier nog negen boerenbedrijven om ons heen. Dat zijn er nog maar drie. Ik heb veel met die mensen gepraat in de tijd dat ze hun boerenbedrijf zagen afkalven. Voor mij staat vast dat ze hun bedrijf in stand hadden kunnen houden als ze de durf hadden gehad om, pakweg, streekproducten te gaan verkopen of hun boerderij te laten ombouwen tot een paar hotel- of pensionkamers. Maar daarvoor hadden ze het lef niet en misschien ontbrak het hen daarvoor ook wel aan kennis en deskundigheid.”
Wassink vindt dat veel boeren, die wèl iets extra’s ondernemen, wel “heel gemakkelijk” hun toevlucht nemen tot een minicamping. “Ik vind het wat fantasieloos. Bovendien leidt het hier en daar tot wildgroei. Maar goed, als ze er eenmaal aan beginnen, dan is het redelijk dat aan hen dezelfde basiseisen worden gesteld als aan ons, officiële campinghouders. Ik ben verplicht om acht meter houtwal rondom mijn camping aan te leggen en zij kunnen vaak met een paar conifeertjes vol staan! Dat kan toch helemaal niet. Die regelgeving moet dringend gelijkgeschakeld worden.”
Wassink stelt nadrukkelijk dat zijn opmerkingen niet voortkomen uit concurrentiegevoelens. “Wij kunnen aan onze omzet niet merken dat er zo veel mensen kamperen bij de boer. Maar ik kan me voorstellen dat recreatieondernemers in andere regio’s er wel minder bezoekers door trekken.  Wel constateer ik dat de landbouw de afgelopen jaren van overheidswege financieel een beschermde status heeft gehad. Er zijn veel subsidies naar toe gegaan om de bedrijfstak gezond te houden. Zonder veel effect overigens. Is dit wel redelijk? En is er ooit een politieke partij geweest die bijvoorbeeld geld heeft willen stoppen in bijvoorbeeld het verkommerende midden- en kleinbedrijf?”

Cursus plattelandstoerisme
De verzuchtingen van recreatieondernemer Wassink hebben blijkbaar een universele geldigheid. In ieder geval waren de door hem genoemde overwegingen begin 2007 voor de hogeschool INHOLLAND in Delft aanleiding om in de gemeente Midden-Delfland een cursus plattelandstoerisme te organiseren voor vooral de agrariërs uit het gebied.

De nieuwe “bedrijfstak”, verbrede landbouw, vraagt van de boer niet alleen specifieke kennis van zaken en creativiteit, hij vraagt ook om nauwkeurige afstemming op de behoeften en mogelijkheden in de betrokken regio. Voor veel boeren is deskundige ondersteuning hierbij welkom. Zo luidde ongeveer de redenering van de hogeschool toen ze het cursusidee begon vorm te geven.
INHOLLAND richtte zich vooral op de agrariërs uit het naburige Midden-Delfland (17.000 inwoners), de groene Zuid-Hollandse gemeente die wordt gevormd door de dorpen Schipluiden met 4600 inwoners, Maasland (6400) en Den Hoorn (6000). Naast de professionele begeleiding vanuit Coöperatie Stadteland en het Landbouw Economisch Instituut zijn de studenten ingezet bij het analyseren van de bedrijfssituatie van de deelnemers. Ook hebben ze een ondersteunende rol vervuld bij het uitwerken van een bedrijfsplan.

Wie ben ik? Wat kan ik?
De aanpak van cursus is in 2005/2006 door Coöperatie Stadteland en het Landbouw Economisch Instituut ontwikkeld en getoetst in de Gelderse Vallei & Eemland in opdracht van het ministerie van LNV. De inhoudelijke kant wordt verzorgd door de in 2004 opgerichte coöperatie Statdteland, die boeren te assisteert op het gebied van de verbrede landbouw. De cursus heeft vijftien deelnemers getrokken van twaalf verschillende bedrijven. Kosten: € 60,- per deelnemer.
Directeur Maarten Fischer van Stadteland spreekt liever van een “driedaagse procesleergang verbrede landbouw” dan van een cursus. “Op de eerste dag gaat alle aandacht uit naar de situatie van het eigen bedrijf. Centrale vragen zijn: Wie ben ik? Wat kan ik? Op de tweede dag hebben we de gebiedsmanager van Midden-Delfland en een ondernemer in recreatieve arrangementen van Rotterdam Roots als gastsprekers gehad. Zij wezen allebei op de vele kansen die het gebied kan bieden en op de mogelijkheden die passen binnen de zogenaamde gebiedsvisie Midden-Delfland 2025. Dag een en twee leverden de deelnemers genoeg stof voor huiswerk op. Ze konden gaan werken aan een nieuw businessplan.”
“Tussen de tweede en de derde dag hebben wij individuele coachingsgesprekken gehouden bij de deelnemers thuis. We wilden daarmee achterhalen of de boer als ondernemer zich werkelijk gebaseerd heeft op zijn of haar ambities en mogelijkheden, of dat hij zich teveel door anderen heeft laten leiden.”

Meer lef hebben
Op de derde cursusdag hebben de deelnemers hun concept-bedrijfsplan gepresenteerd. 
Toen we Maarten Fischer enkele maanden na afloop van de cursus nog eens spraken, bleken sommige deelnemers al stevig gevorderd met de uitwerking van het bedrijfsplan. Will de Vette van Hoeve Bouwlust bijvoorbeeld is enthousiast over de bezoekersarrangementen die hij met twee andere cursisten heeft afgesproken. Op Hoeve Bouwlust kan men kamperen, boerengolfen, appartementen huren en kinderfeestjes vieren. Bezoekers van Bouwlust kunnen nu tegen een aangepaste prijs druiven gaan eten bij de familie Jansen. De Vette: “Samen promoot je het gebied. Met elkaar word je makkelijker gevonden dan als je het alleen op de markt zet. Het is een mooi gebied en dat moeten mensen weten!”
Druivenkwekerij “Nieuw Tuinzight” van de familie Jansen teelt al druiven vanaf 1881. Sinds kort is de bedrijfsvoering vernieuwd. Vanaf augustus tot en met november kunnen bezoekers hier tafeldruiven kopen. H. Jansen: “Ik weet zeker dat de arrangementen gaan lopen. Er is nu al veel vraag naar. Als ondernemers uit Midden- Delfland hebben we samen met onder andere Will de Vette op een boerenmarkt gestaan. Voor die markt wilden we het arrangement per se klaar hebben. En dat is gelukt. Op de cursus leer je ook meer voor je bedrijf op te komen, meer lef te hebben qua prijzen. Wij hebben er nu lak aan, doe het gewoon! Drie euro is veel te weinig! In het begin was ik nog wel schijterig, omdat ik zoiets niet gewend ben. Als kweker ben je anoniem met je bedrijf bezig en nu opeens helemaal aan het netwerken. Mensen krijgen toch meer professionaliteit aangemeten op zo’n cursus.”

Ondersteunend loket
Fischer is “aangenaam verrast” door de actieve rol van de gemeente. Wethouder Christiaan van der Kamp van Midden-Delfland geeft in de wervingsfolder voor de boeren aan dat de lokale belangen en de belangen van de agrarische ondernemer elkaar door zo’n cursus plattelandstoerisme ontmoeten. “Het gebied kan niet zonder creatieve agrarische ondernemers die weten in te spelen op de behoefte van de bezoekers uit de regio. Daardoor kunt u zichzelf als sterke agrarische sector ontwikkelen en draagt u bij aan de toekomst van Midden-Delfland.”

De gemeente participeert ook in het nieuwe initiatief van de hogeschool: de oprichting van een ondersteunend loket voor de gebiedsondernemers in Midden-Delfland. Claudio Palumbo die zijn afstudeeropdracht aan de cursus in wijdde, gaat dit waarschijnlijk bezetten. “Wij richten ons op alle gebiedsondernemers in Midden-Delfland. Wij spreken van gebiedsondernemers omdat de cursus wel geleerd heeft dat iedereen die in het gebied actief is, boer of niet, gebaat is bij extra kennis, het delen van ervaringen en gebiedscoördinatie. Juist door samenwerking van alle gebiedspartijen komt het hele gebied volledig tot zijn recht.” De taak van het Loket, dat gevestigd wordt in het gebouw van de natuurvereniging Vockestaert, is het informeren over bijvoorbeeld subsidies en vergunningen. Verder gaat het stages van de hogeschool coördineren en cursussen en workshops aanbieden. De ondersteunende partijen zijn hogeschool INHOLLAND, gemeente Midden-Delfland, de natuurvereniging Vockestaert en (nog in beraad) de provincie Zuid-Holland.

Voor meer informatie: Internet www.stadteland.nl of  www.veelzijdigplatteland.nl






Laatst aangepast op donderdag, 25 december 2008 13:45