Home Locomotie 33 Talen in Nederland - Utrechts, Eemlands en Spakenburgs
Talen in Nederland - Utrechts, Eemlands en Spakenburgs | Afdrukken |  E-mailadres
Locomotie 33
maandag, 03 december 2007 13:25
Talen in Nederland - Utrechts, Eemlands en Spakenburgs

Waarom willen de inwoners van Utrecht liever geen Utrechtenaar worden genoemd? Wat doet een vrouw uit Spakenburg als ze in ’t vreemd gaot? Van welke Utrechtse gemeente is de naam van de bekende wijk Brooklyn in New York afgeleid? Wat betekent Koert is Ridderzuring, ook wel Koerse Struuke genoemd, in het dialect van Eemnes?

door Dick van Niekerk

Het Stad-Utrechts heeft in vergelijking met andere stadsdialecten in Nederland een laag profiel. Waarschijnlijk heeft dit te maken met het feit dat het Utrechts lange tijd twee stadsdialecten kende. Al in de negentiende eeuw meldde de dialectoloog Johan Winkler twee varianten: het ‘gewone’ Utrechts en de ‘platste spraak van de laagste klasse des volks’. In Utrecht bestond dus al vroeg een dialect dat duidelijk alleen als volkstaal werd gezien. Het lijkt nu nog alleen te worden gesproken als Utrechters onder elkaar zijn. Utrechters treden niet graag met hun taal naar buiten , want er is van oudsher enige sociale minachting geweest voor hun authentieke taalgebruik. 
Toch zijn er wel typisch Utrechtse uitdrukkingen bewaard, vooral in de sfeer van de scheldwoorden. Een mietkop is een onaangenaam, dwars en nurks persoon. Een fleer was een slordige, lichtzinnige vrouw. Nu betekent flèren nog langs de straat slenteren. Een meisje of ongetrouwde vrouw die de bijzit was van een getrouwde man, heette een kenòòrievogel. 

Een Utrechtenaar van achter de dom
Het onaangename stigma dat de gelijkgeslachtelijke liefde in de historie van veel streektalen heeft, is helaas van alle tijden en plaatsen. Zo ook in het Utrechtse. De oorsprong van de Utrechtse uitdrukking hij is van âchter de dom gaat bijvoorbeeld terug tot 1730. Toen bekende ene Zacharias Wilms dat hij zich achter de domkerk met sodomie had beziggehouden. Het proces tegen Wilms was het begin van een reeks zware vervolgingen in het hele land. Utrecht kreeg hierdoor een reputatie als stad van praktiserende homoseksuelen. Utrechtenaar werd voortaan een naam met een snerend bedoelde bijklank: homoseksueel. De bijnaam werd zo algemeen dat men in de stad zelf de aanduiding Utrechtenaar voor een Utrechtse ingezetene ging vermijden. Vanaf de jaren dertig van de vorige eeuw heet een inwoner van Utrecht daarom een Utrechter.

Van Breukelen tot Brooklyn
Eemlands is de verzamelnaam voor de dialecten die gesproken worden in het Eemland, dat gelegen is rond de fraaie Utrechtse rivier De Eem. Globaal kan men zeggen dat het Eemlands tussen het Goois en het West-Veluws instaat. De raakvlakken met het (Stad) Utrechts zijn beperkt.
Typisch voor het Eemlands is onder meer het behoud van de ie en de uu in woorden als ijs (ies)  en huis (huus). Het Utrechts en Goois kennen daar dezelfde klanken als het Algemeen Nederlands. Een ander kenmerk is dat de oorspronkelijk lange ô als eu wordt uitgesproken. Zie bijvoorbeeld greun voor groen. Deze verschuiving heeft de naam Breukelen opgeleverd, want etymologisch komt dat van bro(e)c– lede (watergang=lede door moerasgebied=broec). Naar dit Broec – lede is Brooklyn in New York vernoemd. 
Een typisch Eemlands dialect is dat van het idyllische dorp Eemnes (9000 inwoners en nog steeds een zelfstandige Utrechtse gemeente). Koert is Ridderzuring ofwel Koerse struuke is in Eemnes een vervelend onkruid in grasland. Een borg is niet de zekerstelling van een lening maar een gecastreerde mannetjesbig. Verkampen betekent het vee naar een ander weiland brengen. Het erf van een boerderij heet er de dam en wiersen zijn rijen gras die ontstaan tijdens het maaien. 

Over ânziggen en in ’t vreemd gaon
Binnen het Eemlands is de positie van het Spakenburgs uniek. De Spakenburgers zijn tot de inpoldering van het IJsselmeer (bijna tachtig jaar geleden) sterk op de visserij gericht geweest. Dat levert nu nog heel wat kleurige uitdrukkingen op. Weet u bijvoorbeeld wat een âfferhuûsje is? Het achterste deel van een botter bij het roer: ik zùt vânmârre op ’t âfferhuûsje m’n puupie te ròken, zò heê op m’n gemâkkie = ik zat vanmorgen op mijn dooie gemak mijn pijpje te roken op het achterhuisje.  Interessant zijn ook de termen voor de volksgebruiken die lang in de tamelijk besloten gemeenschap zijn blijven bestaan.
Een ânzigger is niet alleen de aanspreker die bij overlijden de familie en vrienden in kennisstelt, het kan ook een meisje zijn tussen twaalf en veertien jaar dat de geboorte van een kind komt aanzeggen. Ik moe je gedâg ziggen vân Jân-om en Mriemeut, dâsse verlost is vân ’n jonge zoên en dâ’je verzocht wòrren es ân te komen spreken. Vertaald: de groeten van oom Jan en tante Marie, ze is bevallen van een zoon en je wordt uitgenodigd haar te komen bezoeken.
Veel Spakenburgse vrouwen gaon momenteel in ’t vreemd. Denk niet dat hier bedoeld is dat Spakenburg een lustoord zou zijn voor mannen die op een avontuurtje uit zijn. Integendeel! Hier staat dat deze Spakenburgse vrouwen geen klederdracht (meer) dragen…

Van dichten comt mi cleine bate
En hoe begint het Middelnederlandse Maria-Mirakel Beatrijs in het Spakenburgs? De oorspronkelijke tekst is als volgt: Van dichten comt mi cleine bate (Aan dichten heb ik weinig voordeel). Die lieden raden mi dat ict late ende minen sin niet en vertare.  (De mensen raden me aan om me er niet mee bezig te houden en mijn verstand er niet door te laten kwellen).
De Spakenburgse vertaling van Meindert Nagel luidt:
Dichten lêvert ming niks op.
De minsen ziggen: “Houd toch op
om je hoòfd te ruwenêren.”
Het zijn de beginzinnen van een twee jaar geleden verschenen, oogstrelend fraaie editie van de Beatrijs in het Spakenburgs. Het fijnzinnige, middeleeuwse Maria-mirakel in zijn Spakenburgse versie vond gretig aftrek. Bijna alle vijfhonderd exemplaren zijn verkocht. Het boekje is nu al een collectors item!


DE BIJBEL EN BEATRIJS IN HET SPAKENBURGS

Een woord als dialectrenaissance, zo vaak te horen in andere regio’s, lijkt aan de provincie Utrecht niet besteed. Op het eerste gezicht heeft het er alle schijn van dat de streektaal helemaal verdwenen is uit het Utrechtse taallandschap. Ook de nog aanwezige restanten van het eens zo florerende Eemlands lijken vrijwel ongeregistreerd in vergetelheid te raken.
Zelfs in de op het eerste gezicht besloten gemeenschap van Bunschoten-Spakenburg verliest het gesproken dialect langzaam terrein. Daar staat een opmerkelijk grote belangstelling tegenover voor het geschreven Spakenburgs. Er is een professioneel geredigeerd woordenboek verschenen. In 2005 werd de middeleeuwse Marialegende Beatrijs in het Spakenburgs vertaald. Oktober 2007 verschijnen twee deeltjes met “vertaalde” teksten uit het Oude Testament. Het Nieuwe Testament volgt.

“De bijbel was er altijd voor ons, maar door uw werk is de bijbel nu ook van ons geworden. Wat wij hier nu kunnen lezen, is toch heel wat fraaier dan wat we gewend zijn.”
Zo sprak burgemeester Melis van der Groep van Bunschoten-Spakenburg (19.500 inwoners) zijn plaatsgenoot Meindert Nagel toe, toen hij hem op 11 juni  2007 de aanmoedigingsprijs voor cultuur uitreikte. Nagel had het initiatief genomen om enkele bijbelboeken uit het Oude Testament (zoals Prediker en het Hooglied) in het Spakenburgs te vertalen. De Spakenburgse neerlandicus had eerder tijdens kerkdiensten gemerkt dat de mensen meer op hun gemak waren als ze teksten in hun eigen taal kregen aangeboden. “Dit Spakenburgs is veel makkelijker te begrijpen dan de Statenvertaling die per slot van rekening nog uit de zeventiende eeuw is. Door het taalgebruik komen de begrippen en gebeurtenissen dichter naar de mensen. De dominee zou ook dialect moeten spreken. Nu is het een buitenstaander die Nederlands spreekt.”

Spakenburgse vrouwen lezen Beatrijs
Het is geen toeval dat deze bijbelvertalingen door Nagel worden uitgevoerd. Eerder was hij de drijvende kracht achter het monumentale Spakenburgse woordenboek. Het succes daarvan (“De reacties waren overdonderend. De mensen stonden in lange rijen op de stoep om het te kopen. De eerste druk was in een mum van tijd uitverkocht. Er zijn nu bijna 1500 exemplaren verkocht.”) inspireerde hem om verder te gaan. In 2005 bracht hij, gesteund door het culturele mecenaat van de Heeren van Bunschoten, de Spakenburgse versie uit van “de parel uit de Middelnederlandse letterkunde”: Beatrijs. Vooral de vrouwen uit het voormalige vissersdorp bleken het Maria-mirakel met  graagte te willen lezen. Zeer opmerkelijk was dat de uitgave in het streng protestante Spakenburg gevrijwaard bleef van theologische haarkloverij of kritiek. “Inderdaad, in protestante kring heeft men niet zo veel op met de figuur van Maria. Ik had daarover ook wel opmerkingen verwacht, maar die zijn uitgebleven.”
Meindert Nagel (67) krijgt van zijn dorpsgenoten vaak te horen dat de vruchten van zijn jarenlange monnikenarbeid gevoelens van “verbondenheid, nabijheid en warmte” oproepen. Hij ziet een parallel met de klederdracht in zijn dorp. “Een vrouw in klederdracht geeft een bepaald gevoel. Precies kan ik het niet onder woorden brengen. Maar als ze in burgerkledij op vakantie gaat, voel je meteen dat dit een hele vreemde dracht is. Heel raar ook! Zo raar, dat ik bijna zou zeggen: Houd op vakantie gewoon je normale klederdracht aan. Ik kan me heel goed voorstellen dat vrouwen op vakantie heimwee krijgen naar hun klederdracht. Pas zat ik met een vriendin op een beurs. Zij was daar de enige in klederdracht. Ik vond het schitterend!”

Alleen de speciale klank zal blijven
Maar evengoed als in Spakenburg het aantal vrouwen in klederdracht geleidelijk is teruggegaan naar ongeveer vierhonderd, zit ook het gesproken Spakenburgs in een dalende lijn. “Echte Spakenburgers voeden hun kinderen nog wel op in dialect. Maar je kunt goed merken dat dit gebied door zijn ligging veel meer onderhevig is aan invloeden van buitenaf dan bijvoorbeeld het oosten van ons land. Bovendien is er bij ons ook veel vestiging vanuit Het Gooi. Ik zie onze taal daarom op den duur verdwijnen. Wat zal blijven is de speciale klank en intonatie. Ik kan dat het beste duidelijk maken met een voorbeeld. Als ik Duits spreek, al is het grammaticaal nog zo correct, hoor je aan mij dat ik geen Duitser ben. Zo zullen Spakenburgers elkaar ook wel altijd blijven herkennen.”
Nagel beaamt dat de registratie van het Spakenburgs tot nu toe volledig is overgelaten aan het particuliere initiatief. Steun van overheidswege, bijvoorbeeld van de provincie, zou volgens hem een goede zaak zijn. “Met dit werk ben je nooit klaar! Er doet zich altijd weer iets nieuws voor. Het zou goed zijn als er enige professionele ondersteuning bij kon komen.”

Professionele hulp
Een soortgelijk geluid horen we in de fraai geoutilleerde Oudheidkamer van Eemnes uit de mond van Henk van Hees, vice-voorzitter van de Historische Kring Eemnes. “Professionele hulp zou welkom zijn, hoewel je onze situatie absoluut niet kunt vergelijken met die van Spakenburg, dat een van oorsprong vissersdialect heeft. In Eemnes gaat het vooral om een boerendialect met heel andere termen.”
“Dertig jaar geleden was het Eemnesser dialect nog levend en dichtbij. Ik kan me een reünie van onze basisschool herinneren waarin bijna alle sketches in ons dialect werden gespeeld. Dat sloeg enorm aan. Nu zijn er alleen nog restanten over. Jan Berns van het Meertensinstituut heeft vijf jaar geleden een inleiding gehouden over ons dialect. Dat was heel boeiend en daarna flakkerde de belangstelling weer op. Dat zag je aan de respons in de stukjes over ons dialect in ons kwartaalblad. Die leverden heel wat kleurrijke uitdrukkingen van vroeger op.”
“Het ontbreekt ons nu aan de menskracht om de overblijfselen van het Eemnesser dialect te achterhalen en systematisch te ordenen. Het zou inderdaad heel mooi zijn als de provincie voor dergelijke activiteiten een speciale functionaris zou aantrekken.”

Fractieleider Tinus Snijders van de partij Mooi Utrecht, een nieuwe speler in de Utrechtse provinciepolitiek, staat “open” voor de suggesties uit Spakenburg en Eemnes. “Maar ik zou allereerst duidelijk willen hebben hoe breed de behoefte precies is en wat voor activiteiten er precies verricht moeten worden. Pas dan kun je een functieprofiel maken. Voor mij is het trouwens de vraag of er voor dit werk een speciale functionaris moet worden aangetrokken. Mogelijk is er op de universiteit ook voldoende deskundigheid aanwezig.”

Dit is de veertiende bijdrage van Dick van Niekerk in de serie “streektalen in Nederland” . Eerder verschenen er afleveringen over het West – Brabants (augustus 2002), Brabants (maart 2003 en april 2007), Zeeuws (november 2001 en november 2006), Limburgs (augustus 2000), Drents (november 2000), Delflands (mei 2002 en mei 2005), Gronings (juni 2001), Twents (december 2000 en augustus 2006) en het Fries (februari 2007).