Home Locomotie 34 Tobbers die er het beste van moeten maken
Tobbers die er het beste van moeten maken | Afdrukken |  E-mailadres
Locomotie 34
zaterdag, 14 juni 2008 10:47


door A.J. Snel

Tobbers die er het

beste van moeten

maken

en Europeaan. Hoe het met mijn volgorde in die gelaagdheid zit? Ik voel me allereerst Fries, dan Europeaan en daarna pas Nederlander. Zo zit dat.’

Als het gaat om inzet voor het behoud van het streekeigene hebben de fracties in de Provinciale Staten, die samen goed zijn voor één zetel in de Senaat, er niet onverstandig aan gedaan voor een Fries te kiezen. Immers, nergens krijgt het behoud van de eigen identiteit een sterker accent dan in Friesland, vooral wat betreft de taal. Ten Hoeve meent dat dat met een streven naar afzondering van de rest van de wereld niets heeft te maken. ‘Integendeel. Wij staan open voor de komst van mensen van elders en we gunnen hun het behoud van hun identiteit. Wat we voor onszelf opeisen, moeten we anderen ook gunnen. Geen dwang om te assimileren dus. De vraag om integratie is níet de vraag aan buitenlanders, immigranten, zichzelf te verliezen. Ook zij hebben het recht het eigene te verdedigen Het kleine kan heel goed voortbestaan in een groter geheel.’

Buiten de Randstad heerst veelal het gevoel het ondergeschoven kindje van de Nederlandse staat te zijn. Voor Ten Hoeve is dat een slecht uitgangspunt voor het bedrijven van politiek, maar hij plaatst wel een kanttekening: ‘Het idee van achterstelling is niet altijd op feiten gebaseerd, maar het gevoel bestaat wel en wordt gevoed door de grootstedelijke houding van nogal wat bestuurders. Groningen is een hogesnelheidslijn beloofd en dat gaat niet door. Men heeft daar het gevoel te zijn bedonderd, tot er een compensatie gevonden is. De bodemschatten zijn van de staat, maar in de regio waar ze gewonnen worden, zouden wat extra middelen besteed kunnen worden, zeker als daar sprake is van een economische achterstand. Daar is niets vreemds aan. Europa geeft financiële

Een legertje vrouwen in de klederdracht van Spakenburg bevolkt het Binnenhof. Daar is, voor de hoofdingang van het gebouw van de Eerste Kamer, de rode loper uitgerold voor de vice-president van Zuid-Afrika, mevrouw Mlambo-Ngcuka. Op het plein loopt de rapper Lange Frans de orders van een televisieregisseur op te volgen.

 

Het tafereel lijkt in elkaar gestoken ter ondersteuning van het rendez-vous van die middag met OSF-senator Hendrik ten Hoeve. We zullen spreken over, onder meer, de identiteit van de regio, de plek van de provincie in de grote wereld en de verhouding tussen stad en platteland.

De wereld lijkt binnen ieders bereik te zijn gekomen, afstanden zijn door de lucht en meer nog langs elektronische weg razendsnel te overbruggen, ook wie niet reist, wordt geconfronteerd met mensen van elders die ons land voor kortere of langere tijd kiezen als veilige haven, Europa zou ons thuisland moeten zijn. Maar; tegelijkertijd groeit het besef dat de directe, eigen omgeving, de regio de plek is waar we horen. Waar onze identiteit tot haar recht komt.

Op dat laatste fenomeen focust Ten Hoeve veelal. Hij is in de senaat gekozen door de partijen die zich in de Provinciale Staten in Nederland specifiek richten op de problemen van de eigen regio en die niet zijn gebonden aan de regels

en ideologieën van de traditionele politieke partijen. Het gaat de politici die Ten Hoeve zijn plaats in de Eerste Kamer hebben bezorgd om elementen als de taal, het dialect, het landschap, het gevoel voor cultuur, monumentenzorg, die kunnen gelden als bouwstenen voor de identiteit. ‘Ik doe mijn werk als lid van de Eerste Kamer met als uitgangspunt dat mensen in de provincie het eigene kunnen behouden en profileren. Daarbij past geen centralistische houding vanuit Den Haag. Natuurlijk zijn er beleidsterreinen die de regio en ook het land overstijgen: het milieu, de bestrijding van criminaliteit, het veiligheidsbeleid, dat zijn vraagstukken die op Europese schaal moeten worden benaderd. Maar wat wél in de eigen streek kan worden opgelost, moet daar ook worden neergelegd. Daar zet ik me voor in. Gesteund door een achterban die niet extreem links of rechts is, maar een pragmatische positie inneemt. Ja, je hebt goed gezien dat ik hier in de Eerste Kamer mijn werkruimte deel met de twee senatoren van D66. En nee, ik had niet evengoed politiek onderdak bij D66 kunnen vinden. Het verschil zit hem er vooral in dat D66 over het algemeen kiest voor een grootstedelijke benadering en dat ik meer vecht voor de positie en identiteit van de regio’s. Waarbij een zekere relativering past. Identiteit is een gelaagd iets. De meeste Friezen voelen zich ook Nederlander
Foto: Hendrik ten Hoeve

steun aan de lidstaten en regio’s die minder bedeeld zijn; op nationaal niveau kan dat ook, meer dan nu gebeurt. Wij zijn voor decentralisatie van bevoegdheden en middelen. Politici moeten niet uitsluitend in grootschalige eenheden denken. Het is niet wijs alle kaarten te zetten op schaalvergroting. Voor de oplossing van een aantal problemen heb je een global government nodig, een gedachte die met de Verenigde Naties een aanzet heeft gekregen. Andere kwesties horen in het eigen dorp, in de streek te worden opgelost. We hebben allemaal de wereld nodig, maar iedereen heeft ook behoefte aan een eigen plek die kan worden bewaard, ontwikkeld en behouden. Die kleinschaligheid heeft een eigen, belangrijke functie binnen een sterk Europa’.

Ten Hoeve, geboren in Heerenveen, kwam als zesjarig jongetje in Rotterdam terecht waar zijn vader een baan kreeg bij een verzekeringsmaatschappij. Hij ging naar de HBS, studeerde aan de Economische Hogeschool en werkte bij het Nederlands Economisch Instituut. In 1974 keerde hij terug naar Friesland. Mijn vrouw heeft uitstekend Fries geleerd, de drie kinderen zijn ermee opgegroeid. Zoals we dat graag wilden. Ik werd leraar economie op een scholengemeenschap in Dokkum, in 1988 conrector en in 1998 lid van de centrale directie. Momenteel ben ik aan het afbouwen.

Ik ben voorzitter en later statenlid geweest voor de Friese Nationale Partij en nu zit ik sinds 2003 in de Eerste Kamer. Dat past bij me. De sfeer is er anders dan in de Tweede Kamer. Er wordt hier meer op inhoud geluisterd en gereageerd. We gaan in de Senaat niet vechtend over straat’.

Ten Hoeve komt vanuit een gereformeerde achtergrond en heeft binding met de kerk. ‘Dat neem je natuurlijk

 mee in de politiek. Je kleurt in vanuit je eigen overtuiging. Voor mij heeft dat niet betekend dat ik deel wilde uitmaken van een christelijke partij. Ik ontken niet het recht van partijvorming op die grondslag, maar je kunt ook politiek bedrijven op een andere manier en daarvoor heb ik gekozen’.

‘Het onderwijs als keuze? Eigenlijk heeft het feit dat ik destijds leraar werd een sterk toevallige kant: ik kon een baan krijgen in Friesland en daar wilde ik naar terug. Ik heb het leraarschap heel wel kunnen verenigen met mijn persoonlijkheid. Dat was me in het bedrijfsleven, denk ik, minder goed gelukt. In het onderwijs heb ik een thuisgevoel. Ik heb altijd goed kunnen omgaan met de leerlingen en ik denk dat zij dat ook zo voelden. De doelstelling is natuurlijk kennisoverdracht, maar het gaat ook om de vraag hoe iemand in het leven komt te staan. Dat is verweven in het onderwijs. Het sturende deel is heel belangrijk. Je geeft kennis door, maar je voedt elkaar ook op. Jazeker is dat wederzijds. Ik heb van de leerlingen altijd het gevoel gehad dat het haast allemaal goede kinderen waren die goede burgers zouden worden. Of dat overeenstemt met de vaststelling in de Heidelbergse Catechismus dat de mens geneigd is tot alle kwaad? Niemand is volmaakt. Ik denk dat het in de

catechismus een beetje geforceerd is uitgedrukt. Dat een mens niet in staat is goed te doen, kan zo zijn als je een vergelijking maakt met de goddelijke staat. Een mens kan er niet aan ontkomen dat hij onvolmaakt is. In die zin ben ik wel een Calvinist. Maar ik ben er tegelijkertijd van overtuigd dat je moet werken aan een samenleving die vooruitgang boekt. We zijn met elkaar wel tobbers, maar we moeten er hoe dan ook het beste van zien te maken, de dingen fatsoenlijk regelen. Daar zijn we toe gehouden’.

De senator weet het wel, politici worden veelal niet gezien als gemiddelde, maar als onbetrouwbare tobbers. ‘Een echte verklaring heb ik niet voor dat gevoelen. We leven in een steeds complexer wordende wereld. Dat geeft onzekerheid en dát leidt weer tot wantrouwen. De snelle veranderingen binnen de maatschappij hebben ook tot gevolg dat de identiteit binnen de eigen gemeenschap onder druk komt te staan.

De gemeenschap is niet meer in alle opzichten de drager daarvan. Om het betekenisvolle, het belang van het eigene te benadrukken, bedrijf ik politiek. En dat kan ik gelukkig doen in een sfeer en een omgeving waar het tegen elkaar vechten nog niet is gaan overheersen. In de senaat is men er niet zo op uit elkaar onder te sneeuwen, maar meer om te zoeken naar wat de beste maatregelen zijn. Dat bevalt me.’ n

 Binnenhof den Haag

 

Laatst aangepast op zaterdag, 14 juni 2008 11:18