|
door A.J. Snel
Tobbers die er het
beste van moeten
maken |
en Europeaan. Hoe het met
mijn volgorde in die gelaagdheid zit? Ik
voel me allereerst Fries, dan Europeaan
en daarna pas Nederlander. Zo zit dat.’
Als het gaat om inzet voor het behoud
van het streekeigene hebben de fracties
in de Provinciale Staten, die samen goed
zijn voor één zetel in de Senaat, er niet
onverstandig aan gedaan voor een Fries
te kiezen. Immers, nergens krijgt het behoud
van de eigen identiteit een sterker
accent dan in Friesland, vooral wat betreft
de taal. Ten Hoeve meent dat dat
met een streven naar afzondering van de
rest van de wereld niets heeft te maken.
‘Integendeel. Wij staan open voor de
komst van mensen van elders en we
gunnen hun het behoud van hun identiteit.
Wat we voor onszelf opeisen, moeten
we anderen ook gunnen. Geen
dwang om te assimileren dus. De vraag
om integratie is níet de vraag aan buitenlanders,
immigranten, zichzelf te verliezen.
Ook zij hebben het recht het eigene
te verdedigen Het kleine kan heel
goed voortbestaan in een groter geheel.’
Buiten de Randstad heerst veelal het gevoel
het ondergeschoven kindje van de
Nederlandse staat te zijn. Voor Ten Hoeve
is dat een slecht uitgangspunt voor
het bedrijven van politiek, maar hij
plaatst wel een kanttekening: ‘Het idee
van achterstelling is niet altijd op feiten
gebaseerd, maar het gevoel bestaat wel
en wordt gevoed door de grootstedelijke
houding van nogal wat bestuurders.
Groningen is een hogesnelheidslijn beloofd
en dat gaat niet door. Men heeft
daar het gevoel te
zijn bedonderd,
tot er een compensatie
gevonden
is. De bodemschatten
zijn van de
staat, maar in de
regio waar ze gewonnen worden, zouden
wat extra middelen besteed kunnen
worden, zeker als daar sprake is van een
economische achterstand. Daar is niets
vreemds aan. Europa geeft financiële
|
|
Een legertje vrouwen in de klederdracht van Spakenburg bevolkt het Binnenhof. Daar is, voor de hoofdingang van het gebouw van de Eerste Kamer, de rode loper uitgerold voor de vice-president van Zuid-Afrika, mevrouw Mlambo-Ngcuka. Op het plein loopt de rapper Lange Frans de orders van een televisieregisseur op te volgen.
Het tafereel lijkt in elkaar gestoken ter
ondersteuning van het rendez-vous van
die middag met OSF-senator Hendrik
ten Hoeve. We zullen spreken over, onder
meer, de identiteit van de regio, de plek
van de provincie in de grote wereld en
de verhouding tussen stad en platteland.
De wereld lijkt binnen ieders bereik te
zijn gekomen, afstanden zijn door de
lucht en meer nog langs elektronische
weg razendsnel te overbruggen, ook wie
niet reist, wordt geconfronteerd met
mensen van elders die ons land voor
kortere of langere tijd kiezen als veilige
haven, Europa zou ons thuisland moeten
zijn. Maar; tegelijkertijd groeit het besef
dat de directe, eigen omgeving, de regio
de plek is waar we horen. Waar onze
identiteit tot haar recht komt.
Op dat laatste fenomeen focust Ten
Hoeve veelal. Hij is in de senaat gekozen
door de partijen die zich in de Provinciale
Staten in Nederland specifiek richten
op de problemen van de eigen regio
en die niet zijn gebonden aan de regels
|
en ideologieën van de traditionele politieke
partijen. Het gaat de politici die Ten
Hoeve zijn plaats in de Eerste Kamer
hebben bezorgd om elementen als de
taal, het dialect, het landschap, het gevoel
voor cultuur, monumentenzorg, die kunnen
gelden als bouwstenen voor de
identiteit. ‘Ik doe mijn werk als lid van
de Eerste Kamer met als uitgangspunt
dat mensen in de provincie het eigene
kunnen behouden en profileren. Daarbij
past geen centralistische houding vanuit
Den Haag. Natuurlijk zijn er beleidsterreinen
die de regio en ook het land
overstijgen: het milieu, de bestrijding van
criminaliteit, het veiligheidsbeleid, dat
zijn vraagstukken die op Europese schaal
moeten worden benaderd. Maar wat
wél in de eigen streek kan worden opgelost,
moet daar ook worden neergelegd.
Daar zet ik me voor in. Gesteund
door een achterban die niet extreem
links of rechts is, maar een pragmatische
positie inneemt. Ja, je hebt goed gezien
dat ik hier in de Eerste Kamer mijn
werkruimte
deel met de twee senatoren
van D66. En nee, ik had niet evengoed
politiek onderdak
bij D66 kunnen
vinden. Het verschil
zit hem er
vooral in dat D66
over het algemeen
kiest voor een
grootstedelijke benadering en dat ik
meer vecht voor de positie en identiteit
van de regio’s. Waarbij een zekere relativering
past. Identiteit is een gelaagd iets.
De meeste Friezen voelen zich ook Nederlander
|
|
steun aan de lidstaten en regio’s die minder
bedeeld zijn; op nationaal niveau kan
dat ook, meer dan nu gebeurt. Wij zijn
voor decentralisatie van bevoegdheden
en middelen. Politici moeten niet uitsluitend
in grootschalige eenheden denken.
Het is niet wijs alle kaarten te zetten op
schaalvergroting. Voor de oplossing van
een aantal problemen heb je een global
government nodig, een gedachte die met
de Verenigde Naties een aanzet heeft gekregen.
Andere kwesties horen in het
eigen dorp, in de streek te worden opgelost.
We hebben allemaal de wereld
nodig, maar iedereen heeft ook behoefte
aan een eigen plek
die kan worden
bewaard, ontwikkeld
en behouden.
Die kleinschaligheid
heeft een
eigen, belangrijke
functie binnen een sterk Europa’.
Ten Hoeve, geboren in Heerenveen,
kwam als zesjarig jongetje in Rotterdam
terecht waar zijn vader een baan kreeg
bij een verzekeringsmaatschappij.
Hij ging
naar de HBS, studeerde aan de Economische
Hogeschool en werkte bij het Nederlands
Economisch Instituut. In 1974
keerde hij terug naar Friesland. Mijn
vrouw heeft uitstekend Fries geleerd, de
drie kinderen zijn ermee opgegroeid. Zoals
we dat graag wilden. Ik werd leraar
economie op een scholengemeenschap
in Dokkum, in 1988 conrector en in 1998
lid van de centrale directie. Momenteel
ben ik aan het afbouwen.
Ik ben voorzitter en later statenlid geweest
voor de Friese Nationale Partij
en nu zit ik sinds 2003 in de Eerste Kamer.
Dat past bij me. De sfeer is er anders
dan in de Tweede Kamer. Er wordt
hier meer op inhoud geluisterd en gereageerd.
We gaan in de Senaat niet vechtend
over straat’.
Ten Hoeve komt vanuit een gereformeerde
achtergrond en heeft binding
met de kerk. ‘Dat neem je natuurlijk
|
mee in de politiek. Je kleurt in vanuit je
eigen overtuiging. Voor mij heeft dat niet
betekend dat ik deel wilde uitmaken van
een christelijke partij. Ik ontken niet het
recht van partijvorming op die grondslag,
maar je kunt ook politiek bedrijven
op een andere manier en daarvoor heb
ik gekozen’.
‘Het onderwijs als keuze? Eigenlijk heeft
het feit dat ik destijds leraar werd een
sterk toevallige kant: ik kon een baan
krijgen in Friesland en daar wilde ik naar
terug. Ik heb het leraarschap heel wel
kunnen verenigen met mijn persoonlijkheid.
Dat was me in
het bedrijfsleven,
denk ik, minder
goed gelukt. In het
onderwijs heb ik
een thuisgevoel. Ik
heb altijd goed kunnen
omgaan met de leerlingen en ik
denk dat zij dat ook zo voelden. De
doelstelling is natuurlijk kennisoverdracht,
maar het gaat ook om de vraag
hoe iemand in het leven komt te staan.
Dat is verweven in het onderwijs. Het
sturende deel is heel belangrijk. Je geeft
kennis door, maar je voedt elkaar ook
op. Jazeker is dat wederzijds. Ik heb van
de leerlingen altijd het gevoel gehad dat
het haast allemaal goede kinderen waren
die goede burgers zouden worden.
Of dat overeenstemt met de vaststelling
in de Heidelbergse
Catechismus dat de
mens geneigd is tot alle kwaad? Niemand
is volmaakt.
Ik denk dat het in de
|
catechismus een beetje geforceerd is
uitgedrukt. Dat een mens niet in staat is
goed te doen, kan zo zijn als je een vergelijking
maakt met de goddelijke staat.
Een mens kan er niet aan ontkomen dat
hij onvolmaakt is. In die zin ben ik wel
een Calvinist. Maar ik ben er tegelijkertijd
van overtuigd dat je moet werken
aan een samenleving die vooruitgang
boekt. We zijn met elkaar wel tobbers,
maar we moeten er hoe dan ook het
beste van zien te maken, de dingen
fatsoenlijk regelen. Daar zijn we toe
gehouden’.
De senator weet het wel, politici worden
veelal niet gezien als gemiddelde,
maar als onbetrouwbare tobbers. ‘Een
echte verklaring heb ik niet voor dat gevoelen.
We leven in een steeds complexer
wordende wereld. Dat geeft onzekerheid
en dát leidt weer tot wantrouwen.
De snelle veranderingen
binnen de maatschappij hebben ook tot
gevolg dat de identiteit binnen de eigen
gemeenschap onder druk komt te staan.
De gemeenschap is niet meer in alle opzichten
de drager daarvan. Om het betekenisvolle,
het belang van het eigene
te benadrukken, bedrijf ik politiek. En
dat kan ik gelukkig doen in een sfeer en
een omgeving waar het tegen elkaar
vechten nog niet is gaan overheersen. In
de senaat is men er niet zo op uit elkaar
onder te sneeuwen, maar meer om te
zoeken naar wat de beste maatregelen
zijn. Dat bevalt me.’ n
|