|
Locomotie 34
|
|
zaterdag, 14 juni 2008 14:34 |
|
|
WAAROM AMERIKA VEEL MEER VRIJHEID VAN MENINGSUITING HEEFT
DAN NEDERLAND
Door Arjen Nijeboer
Baas in
eigen hoofd
Uit SCP-onderzoek (De sociale staat van Nederland 2007) blijkt dat
het handhaven van de vrije meningsuiting inmiddels bovenaan het
lijstje van dringende problemen van burgers staat. Het laat de sociale
zekerheid, een stabiele economie en criminaliteitsbestrijding achter
zich. De vrije meningsuiting staat in Nederland veel zwakker dan
vaak wordt gedacht. In feite is het Amerikaanse systeem veel logischer
en rechtvaardiger dan de kromme Nederlandse wetgeving.
|
De Grondwet vestigt het principe
van de vrije meningsuiting helemaal niet.
Artikel 7 van de Grondwet doet in essentie
niet meer dan het verbieden van
voorafgaande controle op uitingen. Aan
het strafbaar stellen van uitspraken ná
publicatie geeft het echter ruim baan,
door te stellen dat de wet verdere regels
stelt aan de vrijheid van spreken.
Omdat de Grondwet zelfs niet de gronden
aangeeft waarop de wetgever (parlement
en regering) de vrije meningsuiting
mag inperken, heeft de wetgever
alle ruimte om verboden in te voeren.
Dit in tegenstelling tot de Amerikaanse
grondwet, die luid en duidelijk stelt dat
“het Congres geen wet zal maken (…)
die de vrijheid van meningsuiting beperkt.”
Dat heeft de wetgever dan ook gedaan.
Eerder belandden al de “opruiing” tegen
het “openbaar gezag” (artikel 131) en
eenvoudige belediging (art. 261-271) in
het Wetboek van Strafrecht. Vanaf de jaren
’70 zijn daar artikelen bijgekomen
tegen het zich beledigend uitlaten “over”
alsmede het zich uitlaten op een wijze
die beledigend “voor” mensen “wegens
hun ras, hun godsdienst of levensovertuiging
of hetero- of homoseksuele gerichtheid”,
evenals het aanzetten tot
haat of discriminatie tegen deze groepen
waar dan nog geslacht aan toegevoegd
is (art. 137c t/m g). In deze artikelen
is verder een beroepsverbod
geregeld voor mensen die opiniedelicten
binnen hun beroep begaan en hiervoor
tweemaal binnen vijf jaar worden
veroordeeld.
Zoals de socioloog Erik van Ree heeft
laten zien, is dit zowel uiterst breed als
arbitrair. Zeggen dat een bepaald geloof
moreel gedegenereerd is, is strafbaar
want beledigend. Zeggen dat nationaliteit
X minderwaardig is, is toegestaan,
maar idem dito over een ras niet; haat
zaaien tegen daklozen of fabrieksdirecteuren
mag, maar niet tegen vrouwen.
Iemand die stelt dat de Amerikanen de
wereld willen beheersen hoeft zich ner-
|
|
“Theo ging flink tekeer tegen alles wat
hij zag als misstanden in de samenleving.
Hij nam geen blad voor de mond. Maar
|
in dit land mag dat!”, riep toenmalig minister
Rita Verdonk strijdbaar tijdens
haar toespraak op de massabijeenkomst
op de Dam, de avond van de moord op
Theo van Gogh. Veel politici vielen haar
in de daarop volgende weken bij.
Dat tekeer gaan mag echter níet. Als
Mohammed B. in plaats van een moord
te plegen, gewoon een aanklacht bij het
Openbaar Ministerie had ingediend, dan
was er goede kans geweest dat Van
Gogh was veroordeeld tot maximaal
één respectievelijk twee jaar gevangenisstraf
wegens het “beledigen van mensen
op grond van hun godsdienst”, het
“aanzetten tot discriminatie” dan wel
“haat”, of het doen van één van de andere
categorieën uitlatingen die bij wet
verboden zijn. Uiteraard was gevangenisstraf
voor Van Gogh minder verstrekkend
geweest dan de rituele moord die
hem nu ten deel viel. Maar voor de vrijheid
van meningsuiting maakt het niet
uit of die wordt aangetast door dreiging
met privaat geweld of door de staat opgelegde
gevangenisstraf.
Zwak geregeld
Het Vrije Woord is in Nederland veel
zwakker geregeld dan vaak wordt gedacht.
|
|
gens zorgen over te maken, maar iemand
die zegt dat de joden dit willen,
komt snel in de problemen.
In feite gaan hier politieke keuzes achter
schuil die door de zittende politici en
officieren van justitie worden gemaakt.
In 1997 werd Hans Janmaat veroordeeld
voor de uitspraak: “Zodra wij de
mogelijkheid en de macht hebben, schaffen
we de multiculturele samenleving af.”
Zijn veroordeling werd bekrachtigd tot
aan de Hoge Raad toe. Maar waarom
zou dat niet beweerd mogen worden?
De multiculturele samenleving is een
specifieke beleidskeuze, en in een democratie
mogen vrije burgers steun
werven voor elke beleidskeuze die zij
willen. Dat geldt ook voor de afschaffing
van de multiculturele samenleving of de
invoering van de sharia. Wie zal zeggen
of het kwaad in de toekomst niet zodanig
toeneemt dat we bepaalde principes
uit de sharia niet toch willen invoeren?
De beslissing daarover moet vallen tijdens
een democratische gang naar de
stembus, en niet in het Paleis van Justitie.
Als de zittende politici het argumenteren
voor een ander beleid dan het hunne
strafbaar stellen, dan maken zij eenvoudig
misbruik van hun macht. Het
strafrecht moet rechtvaardigheid voor
iedereen in gelijke mate garanderen, en
niet verworden tot een middel van een
politieke meerderheid om een door
haar ongewenste minderheid dwars te
zitten. Er gaat willekeur achter schuil,
want Janmaat werd veroordeeld voor
uitspraken die nu door veel politici worden
gedaan en zij blijven ongedeerd. De
rechtsstaat zou nu juist moeten beschermen
tegen politieke willekeur.
Het wettelijk verbieden van kwetsen en
beledigen is eigenlijk het eisen van respect,
en dat is de essentie van intolerantie.
Want hierbij zijn het de vermeende
slachtoffers die, geheel subjectief, mogen
bepalen in hoeverre de zogenaamde
daders schuldig zijn. Elke objectiviteit
ontbreekt, want wie weet waar orthodoxe
joden, radicale afrocentristen, aanhangers
|
van de SGP of ijdele politici met
lange tenen zich allemaal niet beledigd
door kunnen voelen? Is het beledigend
om van pedofielen (toch ook een seksuele
voorkeur) te zeggen dat zij ziek zijn?
Er zijn gerenommeerde wetenschappers
die op basis van een enorme berg
statistisch materiaal stellen dat blanken
gemiddeld intelligenter zijn dan zwarten.
Discrimineren zij? En wat als het toch
echt de waarheid zou blijken te zijn?
Dan zou een verbod toch sowieso
absurd zijn? Echter, de enige manier
waarop we achter de waarheid kunnen
komen is een vrij debat toe te laten.
In feite gaat hier een merkwaardig
groepsdenken achter schuil. Sommige
groepen worden “zwakker” geacht en
daarom meer beschermd dan zogenaamde
“sterkere” groepen. Maar dat is
abstract en onwerkelijk. Een autochtone
huisvrouw die uit een alcoholisch
gezin komt, staat maatschappelijk veel
zwakker dan een hoog opgeleide,
geslaagde joodse of zwarte zakenman.
Wie zich verdiept in de slavernijgeschiedenis
van bijvoorbeeld Suriname, weet
dat zwarten niet altijd slachtoffer waren
en blanken niet altijd dader. De mens is
veel meer individu dan ons anti-individualistische,
verpolitiekte maatschappelijke
discours suggereert. Groepen kunnen
niet collectief aanspraak maken op
slachtofferschap en een bijbehorende
wettelijke uitzonderingspositie. Het
menselijk lijden is zeer reëel maar tevens
per definitie individueel.
Wetsvoorstel Donner
In mei 2005 kwam toenmalig minister
Donner van justitie met een wetsvoorstel
waarin hij, in de strijd tegen de moslimextremisten,
het ontkennen of vergoelijken
van door de Duitsers gepleegde misdaden
tijdens de Tweede Wereldoorlog
wilde verbieden. Maar waarom alleen
Duitse misdaden uit de Tweede Wereldoorlog?
Waarom mag ik wel de Amerikaanse
atoombom op Hiroshima, de
geallieerde bombardementen op de
woonwijken van Dresden en de verkrachtingen
|
door Russische soldaten
van 2 miljoen Duitse vrouwen in 1945
goedpraten of ontkennen, en niet de
wandaden van de nazi’s?
Deze weg inslaan leidt van de ene
absurditeit naar de andere. Als de staat
het bagatelisseren van een historische
gebeurtenis verbiedt, dan moet de staat
dus vaststellen welke historische versie
de juiste is, zodat de burgers tenminste
weten wat zij verplicht worden te geloven.
Dan wordt de staat in de beste stalinistische
traditie dus geschiedschrijver.
Historici komen door hun permanente
debat en nieuwe ontdekkingen echter
steeds tot bijstellingen. De holocaustrevisionist
David Irving is in 1992 veroordeeld
voor het uiten van stellingen
die intussen algemeen door historici
zijn geaccepteerd. Geschiedschrijving
moet een zaak zijn van vrij debat tussen
historici, en niet van de democratie. Als
de democratie daar wel toe overgaat, is
het einde zoek. Want op dezelfde dag
begint de lobby van andere echte of vermeende
slachtoffergroepen om hun
thema ook tot wettelijk dogma te verheffen.
Niemand geeft graag zijn ongelijk
toe. Politici zullen alleen al uit de wens
tot consistentie steeds meer spreekverboden
invoeren.
Donner bouwde weliswaar de voorwaarde
voor strafbaarheid in dat een
uiting tot het verstoren van de openbare
orde moet leiden. Maar dat is flauwekul.
Het uitspreken van een uiting als zodanig
leidt niet automatisch tot ordeverstoringen.
Die ordeverstoringen komen
er alleen wanneer iemand anders dan
de spreker vervolgens de straat optrekt
en winkelruiten gaat ingooien. Maar
diegene is verantwoordelijk voor zijn
eigen daden. Hij kan die verantwoordelijkheid
niet afschuiven op een ander.
Vervolg gewoon de geweldspleger zelf,
en niet iemand anders die er opeens
verantwoordelijk voor wordt gemaakt,
alleen omdat hij iets zei.
Inbreuken
Hoe verlaten we deze doodlopende
|
|
weg? Het geestesleven moet radicaal
vrij worden gemaakt van inbreuken uit
de democratie en de economie, net zoals
die maatschappelijke sferen op hun
beurt ook vrij moeten zijn van inbreuken
door de andere sferen De hele
reeks eerder genoemde artikelen uit
het Wetboek van Strafrecht kan eenvoudig
geschrapt worden. Dat is minder
exotisch dan het lijkt, want dat komt
overeen met de bestaande situatie in de
Verenigde Staten. De enige taak die de
democratie heeft met betrekking tot
het geestesleven, is wettelijk regelen dat
er een vrije ruimte is waartoe ieder die
dat wil toegang heeft. Maar met de inhoud
van het geestesleven moet de democratie
geen enkele bemoeienis hebben.
De Mexicaanse schrijver Carlos Fuentes aan wie in 2006 de Four Freedoms Award voor vrijheid van meningsuiting werd toegekend.
De Vlaamse publicist Jos Verhulst haalt
ter uitwerking hiervan de volgende
principes aan. De eerste luidt: baas in eigen
hoofd. Elk mens is vrij zijn eigen bewustzijnsinhoud
te bepalen. Dat impliceert
enerzijds dat er geen autoriteit is
boven de burgers die aan de burgers geofficialiseerde
overtuigingen kan opleggen.
Als overtuigingen tot norm of standaard
worden, dan komt dat omdat zij
in een vrij debat overeind zijn gebleven
tegen kritiek en spot van tegenstanders
|
in. Zij verwerven dan morele adelbrieven,
niet omdat zij officieel zijn opgelegd,
maar juist omdat ze dat niet zijn. Wie
kan er echt vertrouwen hebben in een
van staatswege opgelegde waarheid?
Maar het baas in eigen hoofd zijn impliceert
óók dat er een recht is om niet te
luisteren. Ik hoef niet te tolereren dat
iemand tegen mij aanpraat terwijl ik niet
wil luisteren.
Daarom hanteert Verhulst het begrip
van de ‘fora’: fora zijn in feite alle plaatsen
en kanalen waar burgers vrij ‘samenkomen’
om inhouden te verspreiden of tot
zich te nemen, en die ook vrij vermijdbaar
zijn. Bijvoorbeeld internetfora, politieke
cafés, de media en debatbijeenkomsten.
Op deze fora moet alles
gezegd en gehoord kunnen worden. Iedereen
die niet wil horen wat daar geuit
wordt, kan er wegblijven, terwijl de
mensen die ervoor kiezen wel te luisteren,
niet moeten klagen als zij iets te horen
krijgen wat hen niet aanstaat. De
straat en mijn brievenbus of emailbox
zijn dus slechts in beperkte mate zo’n
forum. Politieke activisten die mijn weg
versperren en mij dwingen tot luisteren,
evenals lieden die mij ongevraagd politiek
extremistisch materiaal aanbieden,
kunnen worden beboet.
Het tweede principe is: er is een absoluut
recht op fysieke onaantastbaarheid,
maar géén recht om niet gekwetst, beledigd
of belasterd te worden. Dikhuidigheid
is de zeer bescheiden prijs die we
moeten betalen voor een samenleving
gebaseerd op het Vrije Woord. Waarheid
wordt namelijk niet alleen in vrijheid
geboren, maar ook in psychische
pijn. Elke vernieuwende denker of wetenschapper
heeft pijn veroorzaakt.
Deze pijn is op termijn het enige alternatief
voor inquisitie en gedachtenpolitie.
Ze dient het leven in plaats dat het
het aantast. Ze leidt tot volwassenheid,
zelfstandigheid en ontwikkeling.
Hiervoor is onder de Nederlandse bevolking
ruime steun aanwezig. Volgens
|
het Nationaal Vrijheidsonderzoek (2002)
vindt 65 procent van de Nederlanders
dat iedereen het recht heeft om voor
zijn of haar mening uit te komen, ook al
voelen anderen zich daardoor gekwetst.
Slechts 17 procent vindt dat vooraanstaande
publieke personen die zich beledigend
uitlaten over bepaalde groepen,
voor de rechter moeten verschijnen.
Zijn er dan geen wettelijke grenzen? Jawel:
er is een klein aantal uitlatingen dat
als het ware een “gesproken daad”
vormt die onmiddellijk ingrijpt in de fysieke
werkelijkheid. Om die reden verlaten
zij de sfeer van het geestesleven en
daarom mogen ze worden gereguleerd.
Dat is het derde principe. Dat geldt bijvoorbeeld
voor het direct dreigen met
geweld. Als iemand tegen mij zegt: “Zodra
jij op straat komt, schiet ik je neer”,
beperkt hij mijn fysieke bewegingsvrijheid.
Ook het roepen van “Brand!” in
een overvolle bioscoop valt hieronder.
Wat er níet onder valt, is “haat zaaien”,
discriminerende uitspraken, of valse en
beledigende verhalen over iemand verspreiden.
Die uitspraken grijpen immers
niet onmiddellijk in de fysieke werkelijkheid
in. Ze kunnen pas fysieke gevolgen
hebben wanneer iemand anders dan de
spreker de wettelijke grenzen overgaat
en fysieke handelingen verricht. Maar
diegene is op zijn beurt verantwoordelijk
voor zijn eigen daden. Hij kan dat
niet op de spreker afschuiven. Het “Befehl
ist Befehl” moeten we niet accepteren.
Over de twijfelgevallen moet de
rechter van geval tot geval oordelen.
Zelfregulering
Dit is geen pleidooi voor ongebreidelde
scheldpartijen. Het is alleen maar toe te
juichen wanneer deelnemers aan het
publieke debat zich respectvol opstellen
naar elkaar, met elkaar bepaalde principes
hooghouden en elkaar eventueel
tot de orde roepen. Maar zo’n vrijwillige
zelfregulering - die zelf weer op niets anders
dan de kracht van vrije argumenten
berust - is iets heel anders dan wettelijke
verboden die worden afgedwongen
|
|

De Engelse filosoof en econoom John Stuart Mill,
zeer invloedrijk vrijdenker uit de negentiende eeuw.
door de wet. Niet alleen waarheid, maar
ook echte moraliteit is iets wat niet
door wetten kan worden verordonneerd
maar alleen in vrijheid binnenin
mensen kan ontstaan.
|
Bovendien moet vrijheid van meningsuiting
juist gelden voor meningen die we
zelf afstotelijk vinden. Als we alleen vrij
spreekrecht laten gelden voor meningen
waar de goegemeente positief of neutraal
tegenover staat, wat doen we dan
voor bijzonders? Zowel in de middeleeuwen
als in de Sovjet-Unie was er
vrijheid voor andersdenkenden om van
officiële doctrines af te wijken, zolang ze
maar binnen een bepaalde bandbreedte
bleven. Wat de één een scheldwoord
vindt, noemt de ander een argument.
Het reguleren van het geestesleven met
juridische middelen is een praktijk die
we uit de Middeleeuwen hebben overgehouden
en die door de opkomende
Verlichting langzaam is teruggedrongen.
Nu is de tijd gekomen om ook met de
|
laatste rest Middeleeuwen af te rekenen
en het Vrije Woord volop in te voeren.
Dat zal bijdragen aan het ontstaan van
een kosmopolitische samenleving van
burgers die elkaar in eerste instantie als
individu tegemoet treden, verantwoordelijkheid
nemen voor hun eigen gedachten,
gevoelens en handelingen en
de genuanceerde waarheid uit vrijheid
liefhebben. In ieder geval bestrijden we
niet degenen die onze maatschappij willen
veranderen in een theocratie door
hun methodes over te nemen.
|
|
|
|
|
Laatst aangepast op zaterdag, 14 juni 2008 15:34 |
|