Home Locomotie 34 Dagboek Senator locomotie 34
Dagboek Senator locomotie 34 | Afdrukken |  E-mailadres
Locomotie 34
zaterdag, 14 juni 2008 15:47

 

Dagboek Senator

In de nieuwe opzet voor Locomotie is ook een vaste plaats voor mij ingeruimd. De hoofdredacteur heeft daarbij een column voor ogen die wat meer biedt dan alleen een zakelijk verslag van wat er namens de OSF in de kamer gezegd en gestemd is. (Bijna) iedere lezer van Locomotie krijgt immers ook wel de digitale nieuwsbrieven van fractie-assistent Michiel van Harten. Daar komt uitgebreid aan de orde wat er aan belangrijks te melden is, niet alleen wat betreft de OSF in de eerste kamer, maar ook vanuit de provinciale partijen, dus uit de diverse provincies waar wij vertegenwoordigd zijn.

Wat is mijn achtergrond, hoe kom ik tot mijn standpunten, wat gebeurt er als iemand iets meldt dat voor de hele OSFclub belangrijk genoeg is om er actie op te ondernemen? Mogelijkheden genoeg dus, want er is altijd wel iets aan de hand. En gelukkig wordt er ook, vaker dan in mijn eerste periode als kamerlid, vanuit de provincies gevraagd om samen iets te ondernemen. Bij dat laatste moet de lezer trouwens niet al te vergaande gedachten krijgen. We zijn natuurlijk een parlementaire groepering, dus als er actie nodig is dan betekent dat in de regel dat er vragen gesteld worden aan de minister en niet dat wij gezamenlijk op straat gaan demonstreren. En het gaat dan soms om een ineens zich voordoend politiek feit waarop gereageerd moet worden, maar soms ook om een al heel lang bestaande situatie waar toch eigenlijk eindelijk eens wat aan zou moeten gebeuren. En soms wordt met het stellen van vragen wat bereikt, en natuurlijk soms ook niet.

Een al langer bestaande situatie werd aangekaart door de Partij voor Zeeland. Na de overschakeling van het analoge televisiesignaal op een digitaal signaal, was de verwachting dat KPN er voor zou zorgen dat na een overgangsperiode overal in het land de Nederlandse publieke tv-kanalen (en dus ook de regionale omroepen!) zonder probleem met een antenne te ontvangen zouden zijn. Nu, na anderhalf jaar, blijkt dat nog niet het geval te zijn. In Zeeuws Vlaanderen, maar ook elders, zijn nog flinke gebieden waar geen goede ontvangst mogelijk is. Zowel aan het College van Gedeputeerden (door de PvZ) als aan de minister van OCW (door de OSF) hebben we daarover vragen gesteld. In zo’n geval

Met zo’n opzet wordt het mij natuurlijk niet al te moeilijk gemaakt: ik mag schrijven
over alles wat extra inkleuring kan geven aan het beeld van een kamerlid.
Senator Hendrik ten Hoeve

 


Den Haag

moet je als vragensteller natuurlijk niet de illusie hebben dat er direct iets gebeurt – in dit geval antwoordde de minister dat KPN voldoet aan de afspraak dat in ieder geval 98% van het land wel een goede ontvangst heeft en dat hij dus geen verdere maatregelen overweegt. En gedeputeerde staten van Zeeland hebben een soortgelijk antwoord van KPN gekregen. Met andere woorden: het directe effect is nul. En toch is het belangrijk om een dergelijke zaak van lange adem zo nu en dan weer onder de aandacht te brengen, want als iedereen zwijgt zal er door KPN nooit meer iets aan verbetering gedaan worden.

Heel anders was de aanleiding voor de vragen die we gesteld hebben over de bedoelingen die staatssecretaris Sharon Dijksma van OCW (toevallig weer hetzelfde ministerie!) heeft met de aangekondigde

“taalcursussen” voor peuters van 2 ½ tot 4 jaar. Daar was het een bericht over een overeenkomst van het ministerie met de gemeenten dat vooral in Friesland de stekels op deed zetten. En het was dus de fractie van de FNP die contact zocht om te proberen een ontwikkeling die gevaarlijk zou kunnen worden, zo snel mogelijk bij te sturen. Op het eerste gezicht lijkt de bedoeling van de staatssecretaris goed en dus ongevaarlijk: we hebben in dit land kinderen die thuis onvoldoende taalvaardig gemaakt worden en die zich dus niet goed kunnen redden als ze op school komen. Dat laatste speelt natuurlijk vooral bij allochtone kinderen, maar de werkelijke achtergrond is toch waarschijnlijk vooral dat het sociale milieu waarin de kinderen opgroeien weinig taalrijk is en dus weinig taal aan de kinderen meegeeft. Dat is inderdaad een
ernstig probleem voor zulke kinderen, en dat geldt voor een categorie autochtone kinderen even goed als voor allochtone. De staatssecretaris heeft dus groot gelijk als ze probeert om in een vroeg stadium deze kinderen wat extra’s mee te geven. Maar de vraag is natuurlijk wat de gemeenten dan nu precies aan moeten pakken. Simplistisch benaderd wordt dat: elke peuter van 2 ½ jaar die niet goed Nederlands spreekt (rekening houdend met de leeftijd natuurlijk) moet maar op een cursus taalverrijking. Maar zo simpel mag de zaak niet benaderd worden. Want dat zou betekenen dat ook een kind dat heel taalrijk wordt opgevoed, maar toevallig in een andere taal dan het Nederlands, vanaf de peuterleeftijd in opdracht van de autoriteiten geleerd wordt om zijn eigen taal of dialect te vergeten en daarvoor in de plaats Nederlands te spreken. 

Voor de Nederlandse streektalen/dialecten en voor het Fries heeft dat vast en zeker het gevolg dat nog meer ouders besluiten om met hun kinderen maar niet meer de eigen taal te spreken en over te gaan op de politiek gewenste taal, het Nederlands. Dat leidt tot een snelle afbraak van wat er nog rest aan streektalen. Dat kan niet de bedoeling zijn en het is ook niet nodig om kinderen de kansen op school te kunnen bieden die hen toekomen. De school moet kinderen, ook als ze de streektaal spreken, kunnen opvangen en hen, naast hun streektaal, Nederlands leren. Voor Friesland geldt zelfs uitdrukkelijk dat de school hen naast Nederlands ook Fries moet leren. En als kinderen van jongs af aan voldoende “taligheid” is bijgebracht, dan kan dat ook makkelijk. Een kind kan makkelijk twee talen leren, als er maar voldoende respect bestaat voor beide en niet de ene taal “goed” en de andere “fout” is.

Precies zo geldt het natuurlijk in feite ook voor kinderen die met Turks of Berbers als huistaal opgroeien. Alleen is het in die gevallen voor de school een stuk moeilijker om met deze eigen talen om te gaan en voor de kinderen dus om zich op school te kunnen handhaven. Hier lijkt het plan van de staatssecretaris dus inderdaad een probleem op te kunnen lossen. Maar ook daar mag natuurlijk geen sprake zijn van een “goede” en een “foute” taal. Meertaligheid is toch immers geen achterstand, maar juist extra rijkdom! Ons land kan mensen die andere talen spreken goed gebruiken, zeker als ze het niveau hebben van de “native speaker”. Onze handelsnatie heeft van zulke kennis altijd willen profiteren en doet er verstandig aan dat nu ook te willen. Nederlands is in dit land noodzaak voor iedereen, andere talen zijn een plus, geen min.

Waar het plan van de staatssecretaris het meest nuttig is, is natuurlijk daar waar kinderen van huis uit inderdaad echt te weinig taalbagage meekrijgen.

Daar mag best een handje geholpen worden om een goede start te kunnen maken. Eens afwachten of de staatssecretaris in haar beantwoording van de vragen ook tot deze conclusie kan komen.

Zo zijn er dus, naast de stapel wetsontwerpen waar een eerste-kamerlid een oordeel over mag geven, in de praktijk altijd wel zaken die zich naast dat reguliere werk voordoen. En die in de praktijk vaak actueler zijn dan de kameragenda zelf. Het schrijven van deze column kan (nog een voorbeeld!) nog net mooi voordat ik een week lang bezig mag zijn met nog een ander soort werkzaamheden waar kamerleden bij kunnen worden ingeschakeld. Ik heb mij aangemeld als verkiezingswaarnemer bij de parlementsverkiezingen in Georgië. Die verkiezingen vinden plaats op 21 mei (dus als u dit leest dan weet u de uitslag al!) en dat betekent dat ik zaterdag naar Tbilisi vlieg en de zaterdag daarop terugkom. De week daartussen wordt gebruikt voor uitgebreide instructie, controle van de verkiezingsvoorbereidingen, controle van de gang van zaken op de verkiezingsdag zelf en controle van het tellen en bekendmaken van de uitslagen. Voor een land als Georgië is het van groot belang dat er toezicht gehouden wordt op de verkiezingen: het land wil graag aansluiting bij de westerse wereld vinden na een paar eeuwen lang volledig van Rusland afhankelijk geweest te zijn. Uiteindelijke wens is het lidmaatschap van de Europese Unie, maar dat is natuurlijk nog wel heel ver weg. Intern is de politiek sterk gepolariseerd en zijn er ook nog twee opstandige regio’s (Zuid Ossetië en Abchazië) waar de regering geen zeggenschap meer heeft, en extern is de relatie met Rusland gespannen. Het land stelt er, juist vanwege al die problemen, veel prijs op om aan te kunnen tonen dat het voldoet aan westerse normen van democratie en het heeft in een brief aan het Nederlandse parlement zelfs uitdrukkelijk gevraagd om zoveel mogelijk waarnemers te sturen. Dus, zodoende. Een klein land dat nog

steeds grote moeite moet doen om zijn zelfstandigheid tegenover de grote buurman veilig te stellen mag onze sympathie hebben. Ik ben erg benieuwd wat ik er precies aan zal treffen en hoe het toe zal gaan met de verkiezingen. Ik hoop op een goed en eerlijk verloop – zoals we dat alle landen toe zouden wensen. En ik zal u de volgende keer in Locomotie mijn ervaringen vertellen. Houdt u intussen de krant in de gaten!

Hendrik ten Hoeve 

Laatst aangepast op woensdag, 08 december 2010 13:34