Home Locomotie 35 Zingen in het achterhoeks is heel normaal
Zingen in het achterhoeks is heel normaal | Afdrukken |  E-mailadres
Locomotie - Locomotie 35
donderdag, 02 oktober 2008 16:19
Achterhoeks (I)
Door Dick van Niekerk

Zingen in

het achterhoeks

is heel normaal

De indringendste weg waarop het Achterhoeks zich de laatste decennia heeft geprofileerd loopt via de popmuziek. Wie herinnert zich niet hoe Normaal, de popgroep uit Hummelo en omgeving, midden jaren zeventig stormenderwijs de Nederlandse podia veroverde met hits als Oerend hard? Inmiddels is de groep Boh Foi Toch van de populaire zanger en tekstschrijver Hans Keuper uitgegroeid tot het boegbeeld van de Achterhoekse dialectpop. Zeer opmerkelijk is ook dat het Achterhoeks – in vergelijking met de andere streektalen in dit land - een indrukwekkende eigen literatuur kent, in de vorm van romans, dichtbundels en dorpsnovellen. En als er speciale acties op touw worden gezet zoals ‘een pagina plat (dialect) in het clubblad’, dan blijkt er steeds veel animo te zijn om in het Achterhoeks te schrijven.

Peppelenkamp en de zijnen zijn kort geleden in onvervalst Achterhoeks door het Staring Instituut uitgebracht in de moderne gebruiksvorm van een luisterboek. Plat Dit luisterboek is ingesproken door Arie Ribbers, die tijdens zijn beroepsleven voor Omroep Gelderland populaire dialectprogramma’s als ‘Um de Meddagpot’ en ‘Rondum Reurle’ presenteerde. Het zal niet verbazen dat het Staring Instituut alle moeite deed om juist deze presentator na zijn beroepsleven te strikken voor de deeltijdfunctie (dertig uur per maand) van streektaalconsulent. In die hoedanigheid probeert Ribbers nu ‘wat reuring te maken’ onder de vele Achterhoekers die willen werken met en in hun dialect. Deze zomer organiseerde hij een zomercolumncompetitie en afgelopen winter een actie mailen in je moerstaal, waarin hij ouderen uitnodigde om hun computerschroom te overwinnen en een jeugdherinnering van 250 woorden op te schrijven in hun dialect. 

Wie het Staring Instituut, het centrum voor het streekeigene van de Achterhoek en de Liemers, aan de Doetinchemse Grutstraat binnenstapt, waant zich meteen in een andere wereld. Enkele vrijwilligers en professionele krachten waken hier over het culturele, historische, taalkundige en literaire erfgoed van de Achterhoek. Iedere ruimte, iedere kamer, iedere nis van het gebouw lijkt doordesemd van het omvangrijke

 

Staring Instituur

Achterhoekse erfgoed. Alleen al in de gigantische bibliotheek bevinden zich tienduizenden boeken, foto’s, tijdschriften, ansichtkaarten en krantenknipsels die door iedereen geraadpleegd kunnen worden.

In feite wordt de sfeer binnen dit epicentrum van de Achterhoekse cultuur al buiten, bij de voordeur, bepaald. Daar staat een prachtig bronzen beeldje van de arme bezembinder Aornt Peppelenkamp, hoofdpersoon in menig boek van de veel gelezen, regionale romancier Frans Roes (pseudoniem voor Herman van Velzen, 1902 – 1974). Bezembinder Peppelenkamp staat - volgens een persbericht - model voor de ‘typische doorsnee Achterhoeker’. Hij is ‘eerlijk, blijmoedig, inventief, maar ook vaak (te) goed van vertrouwen waardoor hij hachelijke situaties als het ware naar zich toe trekt’. Enkele avonturen van 

Veel succes had hij met de actie ‘Plat in ’t Clubblad’. Ribbers ging er vanuit dat binnen sportclubs nog steeds veel dialect wordt gesproken en daarom vroeg hij de deelnemende verenigingen om in 2007 in elke aflevering van het cluborgaan een streektaalpagina op te nemen. Voetbalvereniging AZSV uit Aalten pikte dat volgens de jury het beste op. Onder de titel ‘Puntdraod’ beschreef een van de leden pakkend zijn jeugdherinneringen aan het voetbal in algemene zin en aan AZSV in het bijzonder. De jury loofde de dialectspelling en de opmaak van de pagina. AZSV ontving zestien splinternieuwe kledingsetjes als prijs. Het volgende project van Ribbers is het inspreken van een autonavigatiesysteem in het Achterhoeks.

Gevarieerd
Ribbers lijkt met zijn acties vaak in te spelen op de uiterst gevarieerde lees- en schrijfcultuur in het Achterhoeks. Deze beweegt zich van roman of dorpsnovelle tot spreukenkalender of almanak.

     

Ook tijdschriften spelen een belangrijke rol. Naast het wat traditioneler gerichte driemaandeleks tiedschrift ‘De Moespot’, waarin de dialectkringen van de Achterhoek, Salland en Lochem samenwerken, bestaat er sinds kort een aantrekkelijk vormgegeven, glossy regiomagazine “Naober” (oplage 40.000). De voertaal van Naober is Nederlands maar het blad heeft een aparte dialectpagina. In de teksten staan regelmatig dialectspreuken en ook de brievenrubriek is voor een deel in dialect.


 DA’S LACHEN!

De boer geet met zien zönne naor de veemarkt en betast en beknipt de beeste van alle kanten. De jonge kik vol belangstelling toe en vrög dan: ‘Waorum doe’j dat eigelijk. Vader?’ ‘As ik ’n koe wil kopen’, antwoordt de vader, ‘wi’k wetten wat veur vleis ik in de kuup hebbe en daorum onderzeuk ik ze eerst van onder tut baoven.’ ’n Paar dage later zeg de jonge tege zien va: ‘Ik denke da’w moder binnenkort kwiet bunt.’ ‘Hoo dat dan?’, reageert zien va verrast. ‘Nou, a’k ’t goed ezene hebbe, wil de postbode eur kopen.’

Uit: Naober, pagina 102, zomer 2008 


De Achterhoekse dialectliteratuur wortelt in een lange traditie. ‘Daarbij heeft de mogelijkheid om in de Geldersche Volksalmanak – die in 1835 voor het eerst verscheen - te kunnen publiceren en later in diverse streekbladen stimulerend gewerkt’, vermeldt het Handboek voor Nedersaksische Taal- en Letterkunde. ‘Bovendien heeft de Achterhoek een sterke leestraditie. Het bibliotheekwezen, eerst particulier of in de vorm van leesgezelschappen en later door oprichting van openbare leesbibliotheken,

heeft lezen sterk bevorderd. Ook in de streektaal’. In een streek met zo’n intense lees- en schrijfcultuur kon een Schrieverspad natuurlijk niet uitblijven. Op het landgoed Kotmans in het dorpje Miste bij Winterswijk is een wandelroute gemarkeerd door enkele tientallen bomen die geplant zijn door bekende regionale auteurs. Op het bordje erbij staat een overweging of een puntig gedicht van de schrijver-planter, in het Achterhoeks uiteraard. Het project is bedoeld om de verbondenheid van de Achterhoekse literatuur met de natuur tot uiting te brengen. Met enige regelmaat organiseert men op het landgoed doorgaans goed bezochte dialectavonden.

Geuzenachtig
Het geschreven Achterhoeks lijkt dus wel een vaste plaats te hebben maar geldt dat ook voor de gesproken taal? Streektaalconsulent Ribbers: ‘De intensiteit waarmee de Achterhoekse dialecten worden gesproken blijft al een tijd gelijk. Maar er heeft wel een grote verandering plaats gehad: het dialect is niet meer de eerste taal. De kinderen leren thuis – ook als de ouders onderling dialect spreken – Nederlands. Je kunt hooguit aan accent of intonatie wel eens horen dat ze uit de Achterhoek komen. Het dialect leren ze in veel gevallen als tweede taal. Voor de leerlingen van bijvoorbeeld de middelbare landbouwschool heeft dialect zelfs iets geuzenachtigs, ze willen graag laten horen waar ze vandaan komen’.

 

Een heel ander geluid komt van dichter, zanger en tekstschrijver Hans Keuper, die al sinds 1980 optreedt in het Achterhoeks. ‘Het dialectgebruik holt achteruit. Vlak na de tweede wereldoorlog sprak hier 90% van de mensen nog Nedersaksisch. Daarvan is bijna niets meer over. Die neergang lijkt niet meer te stoppen’. Keuper zingt niettemin ‘uit volle overtuiging’ in het Achterhoeks omdat dit een extra waarde, een ‘dubbele laag’,

aan zijn optredens geeft: ‘Gebruik van zo’n taal geeft voeding aan het gemeenschapsgevoel dat je opbouwt tijdens een uitvoering’. ‘

De rijkdom van het dialect’ geeft hem de kans om op verschillende gevoelsniveaus te communiceren. ‘Het eerste niveau is de normale, zakelijke communicatie. In de tweede laag kom je bij de understatements en het camoufleren van gevoelens waarin de Achterhoeker zo bedreven is. In het derde segment zitten dan de ware, authentieke gevoelens. Bijvoorbeeld als het gaat over geboorte en dood, over homoseksualiteit. Dat zijn onderwerpen die nog steeds heel moeilijk liggen. Dat merk ik als ik er liedjes over zing. De mensen zijn niet gewend om zich op dat niveau rechtstreeks te uiten. En ze zijn vaak extra verrast omdat ze liedjes in dialect meteen associëren met smeuïgheid en nostalgie, met het schilderachtige van de streekroman’.

Kneuterigheid
Dat laatste is voor Keuper reden om zelf ook steeds kritisch naar de streektaal te blijven kijken. ‘Vaak verwoordt dialect het gevoel van terugverlangen naar de kleinschalige samenleving van vroeger. Zo’n beetje de sfeer van een lied als Het Dorp – ‘het tuinpad van mijn vader…..’ – van Wim Sonnevelt’, constateert hij. ‘Ik ben daar beducht voor. Ik ken de kleinschalige samenleving van Dinxperlo, waar ik geboren ben; van Kameroen, waar ik zeven jaar heb gewerkt en van de Cevennes in Zuid-Frankrijk, waar ik enkele weken per jaar woon. Overal zijn de sociale patronen en mechanismen hetzelfde, op het benauwende af. Er valt niet zoveel aan die kleinschalige samenleving te idealiseren, ook niet aan die van vroeger. Er zijn dialecttijdschriften waarin dat wel gebeurt. Ik doe daar niet aan mee. Het is een hang naar kneuterigheid vanuit de luxe die wij nu hebben. Het is ook angst voor de grote wereld, voor het boze Europa. Ik vind dat we dialect niet moeten gebruiken als middel om aan die angst voeding te geven!’

Laatst aangepast op donderdag, 02 oktober 2008 16:27