Home Locomotie 35 In de dorpen dopt men de eigen boontjes
In de dorpen dopt men de eigen boontjes | Afdrukken |  E-mailadres
Locomotie - Locomotie 35
vrijdag, 03 oktober 2008 23:09

In de dorpen dopt men de eigen boontjes

Door A.J. Snel

In de dorpen dopt
men de eigen boontjes

Als ergens in dit land de democratie in haar meest pure vorm kan floreren, dan is het in de 1800 kleine kernen op het platteland. Daar groeien niet alleen de boontjes, daar kan men ze ook zelf doppen. Dorpen en gehuchten hoeven niet te verworden tot woonplaatsen waar nauwelijks andere beweging valt waar te nemen dan die van de vlucht van vogels van de ene wiegende tak naar de andere. De kleine kern kan bruisen van het leven. Daarvoor moet wel aan twee belangrijke voorwaarden worden voldaan: de bewoners moeten zelf in actie komen; en het gemeentebestuur moet die actie waarderen en steunen. 

gaat het op dit moment niet slecht. Dat denken de beleidsmakers in hun ivoren torens misschien wel, maar ter plekke ziet men dat anders’.

 

Torens De beleidsmakers in hun torens willen nogal eens in grote ijver regels verzinnen, die het leven niet vereenvoudigen. Van de Vondervoort is sterk doordrongen van de gedachte dat regels en wetten er voor de mensen zijn en niet andersom. Zijn er regels die als gevolg van veroudering of van een gebrek aan inzicht bij beleids-makers tegen de belangen van de bewoners van kleine kernen in werken, dan moeten die regels worden afgeschaft. Vrolijk: ‘Ik ben burgemeester van Boekel geweest. We kregen daar als gemeentebestuur te maken met de wens van mensen hun garage om te bouwen tot woonruimte voor hun ouders. Dat bood nogal wat voordelen. Mensen hoefden op gevorderde leeftijd niet naar elders, waardoor de kern qua inwoneraantal wat sterker bleef. En er werd een optimale mogelijkheid voor het geven van mantelzorg mee gecreëerd. Dat met die garages mocht destijds niet; volgens in Den Haag bedachte regels. Wij stonden het toch maar toe, gewoon omdat de hele situatie erdoor verbeterde. Ik heb destijds van Henk Kamp, die even minister van vrom was, te horen gekregen dat we iets deden wat niet mocht. ’Maar we doen het tóch’, zei ik. Kamp tilde er maar niet al te zwaar aan. Het eind van het lied is geworden dat het nu overal in Nederland mag. Althans als de gemeenten het wil en het regelt.

 

Het zijn eenvoudige dingen waar we tegenaan lopen. Er wordt door de gemeente aan de ambulante handel een vergunning gegeven een aantal uren per week in een kleine kern te gaan staan. Terwijl dat ten koste kan gaan van die kleine supermarkt die met de grootst mogelijke moeite overeind

Veel bewoners van kleine kernen kennen het fenomeen van elkaar versterkende krachten. Er is een grote sociale samenhang, mensen kennen elkaar. Dat maakt de lijnen kort. Initiatieven lopen niet zomaar vast in het drijfzand van de bureaucratie. Wie in actie wil komen, vindt zonder te veel moeite medestanders. En dat op zichzelf verstrekt weer de sociale cohesie.

Driek van de Vondervoort, burgemeester van Bergeijk en voorzitter van de landelijke vereniging voor Kleine Kernen: ‘Burgers in kleine leefgemeenschappen voelen zich sterk betrokken bij het wel en wee in hun directe omgeving. Je ziet op heel veel plaatsen actieve dorpsraden, belangengroeperingen, leefbaarheidsgroepen. Die kunnen zelf de toekomstvisie maken

voor hun kern. Voorwaarde is wel dat het gemeentebestuur faciliteiten biedt. Dat kan op verschillende manieren. Door geld beschikbaar te stellen, maar ook door ambtenaren, die behulpzaam kunnen zijn, daarvoor vrij te maken of door op een andere manier expertise beschikbaar te stellen, cursussen mogelijk te maken.

Wij dringen daarop als vereniging ook aan. En we kunnen een vuist maken. Van de 1800 kleine kernen in Nederland zijn er intussen zo’n 1400 bij ons aangesloten. We zijn hier al een tijdje mee bezig, op een aantal plaatsen zit die zorg voor kleine kernen echt al in de genen. Elders groeit de aandacht. Het moet beter met een aantal kleine kernen maar, het geheel overziend, 

     
Illustratie
     

wordt gehouden. Het kan dan best zijn dat die vergunning móet worden gegeven op grond van een eerder bepaald stelsel. Maar dan moet je er maar voor zorgen dat je dat vergunningenstelsel aanpast. Het verschilt allemaal van plaats tot plaats. Je ziet hoe een supermarktje in stand gehouden kan worden met een manager die gesteund wordt door een aantal vrijwilligers. De kennis van zaken en ervaring is echt in elk dorp aanwezig. De mensen die er wonen, weten het beter dan de ambtenaren die van de achtergronden tot in de kleine details geen weet kunnen hebben. Waar het om gaat, je moet het sociale goud delven. De gemeente moet daarbij een beetje lef tonen. Als iets goed is voor je eigen bevolking, dan doe je dat tóch maar, ook al moeten de regeltjes daarvoor worden aangepast.


De twee grootste bedreigingen voor de kleine kernen zijn desinteresse onder de bewoners en een gebrek aan wil bij de gemeente om mogelijkheden te scheppen. Die twee bedreigingen grijpen in elkaar. Wil de bevolking actief worden en blijven, dan moeten initiatieven kansrijk blijken. Succes houdt mensen enthousiast, hoe dat er ook precies uitziet. Op de ene plaats zal men zich inzetten voor het behoud van een school, elders is de opzet van een plein belangrijk, of de aanwezigheid van een ontmoetingscentrum. Tegen de stromen van individualisering en grootschaligheid in is veel te bereiken. En oh ja, het is belangrijk
Illustratie 3

dat leefbaarheidsgroepen en dorpsraden een a-politieke samenstelling kennen. Ik ben ervoor dat mensen zich politiek gebonden voelen, maar dat kan beter geen rol spelen als je voor belangen ter plekke je best doet’.

Enthousiasme
Bas van der Vlies, fractievoorzitter van de Staatkundige Gereformeerde Partij in de Tweede Kamer en nestor van die Kamer, deelt de opvattingen van Van de Vondervoort. Zijn ervaring met het plattelandsparlement dat op gezette tijden bijeenkomt leert hem: ‘Er zijn honderden vrijwilligers die zich inzetten voor de kleine kernen, het enthousiasme bij veel mensen is groot. ‘Dat begrijp ik heel goed. Op mij persoonlijk heeft het platteland ook meer aantrekkingskracht dan de grote stad. Ik woon liever op een plek waar de mensen elkaar groeten, een beetje op elkaar letten en elkaar helpen als dat nodig is, dan in een stedelijke omgeving waarin men geen aandacht aan elkaar besteedt. Het is normaal wat zorg voor de ander te hebben en als het nodig is met elkaar de handen uit de mouwen te steken. Veel mensen zijn niet beter af als ze onderhevig zijn aan wat destijds in de sociologie wel werd aangeduid als massificatieprocessen. Mijn partij heeft het wat betreft aanhang ook in belangrijke mate te zoeken op het platteland. Mijn algemene oordeel over de kleine kernen? Er zijn er die verpieteren, in een neerwaartse spiraal raken: geen woningbouw, geen nieuwe inwoners, geen kinderen, geen school, geen winkelvoorziening. Dat risico is reëel en dat motiveert mij politiek ook om aandacht voor de problematiek te vragen’.

 

De basisschool in de kleine kern behouden, dat is vaak van het grootste belang. Daar wordt nogal eens de kanttekening bij gemaakt dat de school er is om onderwijs te geven en niet om problemen van de samenleving op te lossen. De nestor van de Tweede Kamer 

begrijpt wel waar die zienswijze vandaan komt. ‘Er zijn de laatste jaren nogal wat veel maatschappelijke doelstellingen bij de scholen neergelegd. Dat geeft weerstand. Ik denk dat je bij het behoud van basisscholen moet uitgaan van win-win-situaties.

Illustratie 4
In de Tweede Kamer is nu een discussie gaande over het niet te star hanteren van de norm voor het minimale aantal leerlingen. Er vindt, denk ik, wel een verschuiving in het denken plaats, ook bij de betrokken bewindslieden. Het zal even tijd vergen, maar er komt wel beweging’. Ook Johannes Kramer, voorzitter van de Statenfractie van de Fryske Nasjonale Party meent dat uitgangspunt steeds moet zijn, wat de bewoners van de kleine kernen wensen. ‘Je ziet die wensen veranderen in de tijd. In de jaren zeventig en tachtig werd bij leefbaarheid vooral gedacht aan sporthallen en gymzalen. Nu ligt het accent meer op instandhouding van scholen, het verzorgen van goed openbaar vervoer. Ik heb het idee dat het goed gaat met de belangenbehartiging, dat de bewoners van de kleine kernen goed gezien en gehoord worden. Vrijwilligers halen hun horecapapieren om het dorpshuis draaiend te houden. Er valt veel te regelen met relatief weinig geld. Als de mensen het maar zelf doen.’ n