|
Door A.J. Snel
In de dorpen dopt
men de eigen boontjes
Als ergens in dit land de democratie in haar meest pure vorm kan
floreren, dan is het in de 1800 kleine kernen op het platteland. Daar
groeien niet alleen de boontjes, daar kan men ze ook zelf doppen.
Dorpen en gehuchten hoeven niet te verworden tot woonplaatsen
waar nauwelijks andere beweging valt waar te nemen dan die van
de vlucht van vogels van de ene wiegende tak naar de andere. De
kleine kern kan bruisen van het leven. Daarvoor moet wel aan twee
belangrijke voorwaarden worden voldaan: de bewoners moeten zelf
in actie komen; en het gemeentebestuur moet die actie waarderen
en steunen.
|
gaat het op dit moment niet slecht.
Dat denken de beleidsmakers in hun
ivoren torens misschien wel, maar ter
plekke ziet men dat anders’.
Torens
De beleidsmakers in hun torens willen
nogal eens in grote ijver regels
verzinnen, die het leven niet vereenvoudigen.
Van de Vondervoort is
sterk doordrongen van de gedachte
dat regels en wetten er voor de mensen
zijn en niet andersom. Zijn er
regels die als gevolg van veroudering
of van een gebrek aan inzicht bij
beleids-makers tegen de belangen
van de bewoners van kleine kernen
in werken, dan moeten die regels
worden afgeschaft. Vrolijk: ‘Ik ben
burgemeester van Boekel geweest.
We kregen daar als gemeentebestuur
te maken met de wens van mensen
hun garage om te bouwen tot woonruimte
voor hun ouders. Dat bood
nogal wat voordelen. Mensen hoefden
op gevorderde leeftijd niet naar elders,
waardoor de kern qua inwoneraantal
wat sterker bleef. En er werd een optimale
mogelijkheid voor het geven
van mantelzorg mee gecreëerd. Dat
met die garages mocht destijds niet;
volgens in Den Haag bedachte regels.
Wij stonden het toch maar toe, gewoon
omdat de hele situatie erdoor
verbeterde. Ik heb destijds van Henk
Kamp, die even minister van vrom
was, te horen gekregen dat we iets
deden wat niet mocht. ’Maar we doen
het tóch’, zei ik. Kamp tilde er maar
niet al te zwaar aan. Het eind van het
lied is geworden dat het nu overal
in Nederland mag. Althans als de gemeenten
het wil en het regelt.
Het zijn eenvoudige dingen waar we
tegenaan lopen. Er wordt door de gemeente
aan de ambulante handel een
vergunning gegeven een aantal uren
per week in een kleine kern te gaan
staan. Terwijl dat ten koste kan gaan
van die kleine supermarkt die met de
grootst mogelijke moeite overeind
|
|
Veel bewoners van kleine kernen kennen
het fenomeen van elkaar versterkende
krachten. Er is een grote sociale
samenhang, mensen kennen elkaar.
Dat maakt de lijnen kort. Initiatieven
lopen niet zomaar vast in het drijfzand
van de bureaucratie. Wie in actie wil
komen, vindt zonder te veel moeite
medestanders. En dat op zichzelf verstrekt
weer de sociale cohesie.
Driek van de Vondervoort, burgemeester
van Bergeijk en voorzitter van
de landelijke vereniging voor Kleine
Kernen: ‘Burgers in kleine leefgemeenschappen
voelen zich sterk betrokken
bij het wel en wee in hun directe omgeving.
Je ziet op heel veel plaatsen
actieve dorpsraden, belangengroeperingen,
leefbaarheidsgroepen. Die
kunnen zelf de toekomstvisie maken
|
voor hun kern. Voorwaarde is wel
dat het gemeentebestuur faciliteiten
biedt. Dat kan op verschillende
manieren. Door geld beschikbaar te
stellen, maar ook door ambtenaren,
die behulpzaam kunnen zijn, daarvoor
vrij te maken of door op een andere
manier expertise beschikbaar te stellen,
cursussen mogelijk te maken.
Wij dringen daarop als vereniging ook
aan. En we kunnen een vuist maken.
Van de 1800 kleine kernen in Nederland
zijn er intussen zo’n 1400 bij ons
aangesloten. We zijn hier al een tijdje
mee bezig, op een aantal plaatsen zit
die zorg voor kleine kernen echt al in
de genen. Elders groeit de aandacht.
Het moet beter met een aantal kleine
kernen maar, het geheel overziend,
|
|
wordt gehouden. Het kan dan best
zijn dat die vergunning móet worden
gegeven op grond van een eerder
bepaald stelsel. Maar dan moet je er
maar voor zorgen dat je dat vergunningenstelsel
aanpast. Het verschilt allemaal
van plaats tot plaats. Je ziet hoe
een supermarktje in stand gehouden
kan worden met een manager die gesteund
wordt door een aantal vrijwilligers.
De kennis van zaken en ervaring
is echt in elk dorp aanwezig.
De mensen die er wonen, weten het
beter dan de ambtenaren die van de
achtergronden tot in de kleine details
geen weet kunnen hebben. Waar het
om gaat, je moet het sociale goud delven.
De gemeente moet daarbij een
beetje lef tonen. Als iets goed is voor
je eigen bevolking, dan doe je dat
tóch maar, ook al moeten de regeltjes
daarvoor worden aangepast.
De twee grootste bedreigingen voor
de kleine kernen zijn desinteresse onder
de bewoners en een gebrek aan
wil bij de gemeente om mogelijkheden
te scheppen. Die twee bedreigingen
grijpen in elkaar. Wil de bevolking
actief worden en blijven, dan moeten
initiatieven kansrijk blijken. Succes
houdt mensen enthousiast, hoe dat er
ook precies uitziet. Op de ene plaats
zal men zich inzetten voor het behoud
van een school, elders is de opzet van
een plein belangrijk, of de aanwezigheid
van een ontmoetingscentrum.
Tegen de stromen van individualisering
en grootschaligheid in is veel te
bereiken. En oh ja, het is belangrijk
|
dat leefbaarheidsgroepen en dorpsraden
een a-politieke samenstelling kennen.
Ik ben ervoor dat mensen zich
politiek gebonden voelen, maar dat
kan beter geen rol spelen als je voor
belangen ter plekke je best doet’.
Enthousiasme
Bas van der Vlies, fractievoorzitter
van de Staatkundige Gereformeerde
Partij in de Tweede Kamer en nestor
van die Kamer, deelt de opvattingen
van Van de Vondervoort. Zijn ervaring
met het plattelandsparlement dat op
gezette tijden bijeenkomt leert hem:
‘Er zijn honderden vrijwilligers die zich
inzetten voor de kleine kernen, het
enthousiasme bij veel mensen is groot.
‘Dat begrijp ik heel goed. Op mij persoonlijk
heeft het platteland ook meer
aantrekkingskracht dan de grote stad.
Ik woon liever op een plek waar de
mensen elkaar groeten, een beetje op
elkaar letten en elkaar helpen als dat
nodig is, dan in een stedelijke omgeving
waarin men geen aandacht aan elkaar
besteedt. Het is normaal wat zorg
voor de ander te hebben en als het
nodig is met elkaar de handen uit de
mouwen te steken. Veel mensen zijn
niet beter af als ze onderhevig zijn aan
wat destijds in de sociologie wel werd
aangeduid als massificatieprocessen.
Mijn partij heeft het wat betreft aanhang
ook in belangrijke mate te zoeken
op het platteland. Mijn algemene
oordeel over de kleine kernen? Er zijn
er die verpieteren, in een neerwaartse
spiraal raken: geen woningbouw,
geen nieuwe inwoners, geen kinderen,
geen school, geen winkelvoorziening.
Dat risico is reëel en dat motiveert
mij politiek ook om aandacht voor de
problematiek te vragen’.
De basisschool in de kleine kern behouden,
dat is vaak van het grootste
belang. Daar wordt nogal eens de kanttekening
bij gemaakt dat de school er
is om onderwijs te geven en niet om
problemen van de samenleving op te
lossen. De nestor van de Tweede Kamer
|
begrijpt wel waar die zienswijze
vandaan komt. ‘Er zijn de laatste jaren
nogal wat veel maatschappelijke doelstellingen
bij de scholen neergelegd.
Dat geeft weerstand. Ik denk dat je
bij het behoud van basisscholen moet
uitgaan van win-win-situaties.

In de Tweede Kamer is nu een discussie
gaande over het niet te star
hanteren van de norm voor het minimale
aantal leerlingen. Er vindt, denk
ik, wel een verschuiving in het denken
plaats, ook bij de betrokken bewindslieden.
Het zal even tijd vergen, maar
er komt wel beweging’.
Ook Johannes Kramer, voorzitter
van de Statenfractie van de Fryske
Nasjonale Party meent dat uitgangspunt
steeds moet zijn, wat de bewoners
van de kleine kernen wensen.
‘Je ziet die wensen veranderen in de
tijd. In de jaren zeventig en tachtig
werd bij leefbaarheid vooral gedacht
aan sporthallen en gymzalen. Nu ligt
het accent meer op instandhouding
van scholen, het verzorgen van goed
openbaar vervoer. Ik heb het idee dat
het goed gaat met de belangenbehartiging,
dat de bewoners van de kleine
kernen goed gezien en gehoord worden.
Vrijwilligers halen hun horecapapieren
om het dorpshuis draaiend te
houden. Er valt veel te regelen met
relatief weinig geld. Als de mensen
het maar zelf doen.’ n
|