Home Locomotie 35 De staat moet niet dwingen, maar dienen
De staat moet niet dwingen, maar dienen | Afdrukken |  E-mailadres
Locomotie - Locomotie 35
vrijdag, 03 oktober 2008 23:27
 Door Arjen Nijeboer

De staat moet
niet dwingen,
maar dienen

De discussie over invoering van het referendum blijft opkomen. Maar vaak wordt er veel te oppervlakkig naar het referendum gekeken. We moeten een veel fundamentelere visie ontwikkelen op democratie en hoe het referendum daarin een rol kan spelen. In dit artikel een visie. 

Omdat de rechten van de volksvertegenwoordiging zijn afgeleid van de rechten van het volk, kunnen parlementariërs nooit méér rechten hebben dan de burgers. Via referenda zouden burgers hetzelfde beslissingsrecht moeten hebben als het parlement. Dat betekent dat referenda over alle onderwerpen moeten gaan die tot de competentie van het parlement behoren, dat burgers niet alleen door het parlement aangenomen wetten mogen tegenhouden (correctief referendum) maar ook zelf voorstellen ter stemmen mogen brengen (volksinitiatief), dat referenda bindend zijn en dat er geen opkomstdrempel is. Dit klinkt voor sommigen wellicht radicaal, maar is toch al meer dan 100 jaar praktijk in onder andere Zwitserland en tientallen Amerikaanse deelstaten.

 

Ongewenst
Het niet-realiseren van dit tweede principe, zoals in Nederland het geval is, heeft allerlei ongewenste gevolgen. Kleine belangengroepen kunnen hun speciale belangen er gemakkelijker door krijgen, omdat zij niet de hele bevolking in het openbaar hoeven te overtuigen, maar slechts een handjevol politici in de wandelgangen (denk aan de Betuwelijn). Politici kunnen hun eigen belangen laten prevaleren, zoals een grote collectieve sector. Want of politici nu liberaal of socialist zijn, ze hebben meer macht als de staatsuitgaven stijgen. Daarom is de staatsschuld onder CDA- en VVD-bewindslieden net zo hard gestegen als onder PvdA-kabinetten. In Zwitserland en Amerika is aangetoond dat hoe meer referenda over fiscale onderwerpen zijn toegestaan, hoe lager begrotingstekorten en staatsschulden zijn. Ideologie en belangenpolitiek krijgt de overhand over pragmatische oplossingen, omdat de politieke partijen – de dominante actoren – gebaseerd zijn op ideologieën die de maatschappelijke werkelijkheid versimpelen. Maatschappelijke betrokkenheid van burgers verpietert, omdat ze in dit opzicht gedwongen zijn langs te zijlijn te staan. Populisme en een overwaarde- 

Democratie betekent letterlijk volksheerschappij. Het kernidee van democratie is dat er geen autoriteit is boven de burgers die hun wetten en besluiten kan opleggen. Wetten hebben in een democratie gezag, niet omdat één of andere autoriteit er een stempel van goedkeuring op heeft gezet, maar omdat de wetten vrijwillige afspraken zijn tussen degenen die de wetten moeten gehoorzamen: de leden van de rechtsgemeenschap, ofwel de burgers. Het kernprincipe van de democratie is gelijkheid. Deze gelijkheid werkt naar drie kanten. Alle drie aspecten zijn even belangrijk: wie een van deze drie aspecten negeert, knipt eigenlijk een van de draden van een spinnenweb door waardoor het hele web scheef komt te hangen.

Het eerste aspect is in het Westen vrij breed geaccepteerd. Wetten moeten voor iedereen in gelijke mate gelden. Dit is het principe van de rechtsstaat, de rule of law, volgens welke de minister net zo goed een bon krijgt voor een snelheidsovertreding als ieder ander. Om politieke redenen wordt dit principe vaak enorm opgeblazen, dan wel zonder meer gelijkgesteld aan democratie, maar de andere twee aspecten zijn even belangrijk. Het tweede aspect is dat iedereen de wet in gelijke mate moet kunnen vaststellen. In een democratie in enge zin telt ieders stem even zwaar: een hoogleraar in de natuurkunde heeft bij een referendum over kernenergie dezelfde stem als het maffe

kruidenvrouwtje op de Veluwe. En dat is een uitstekende zaak. Waarom? Als er een kerncentrale ontploft, heeft zij daar evenveel last van als de hoogleraar. De kosten van de bouw van kerncentrales worden ook door alle burgers via de belastingen opgebracht en de zegeningen van kernenergie worden ook geacht aan iedereen ten goede te komen. Het kiezen van een parlement is hiervoor niet voldoende om recht te doen aan die zienswijze. In een vertegenwoordigend systeem, zoals het Nederlandse, is het heel goed mogelijk – zelfs heel gebruikelijk – dat wetten worden ingevoerd die door de (meerderheid van) de burgers niet worden gesteund. Burgers kunnen weliswaar de parlementariërs na 4 jaar door andere vervangen, maar dit belet niet dat de nieuwe parlementariërs ook weer wetten kunnen invoeren die door de rechtsgemeenschap niet worden gewild.

Deze situatie wordt gelegitimeerd met het argument van het ‘mandaat’: burgers zouden een mandaat hebben gegeven aan het parlement om namens hen te beslissen. Dat is echter fictie. Een authentiek mandaat is een mandaat dat eventueel ook níet gegeven hoeft te worden. Peilingen geven al decennia aan dat een grote meerderheid (inmiddels zo’n 80 procent) af en toe zelf wil beslissen via referenda. Zij nemen dan hun mandaat op één bepaald onderwerp terug, en beslissen direct. 

   
Kanton Glarus
Kanton Glarus in Zwitserland waar jaarlijks op het marktplein wordt gestemd over wetsvoorstellen van de regering.
ring van de rol van personen krijgen meer ruimte, omdat de politieke keuze beperkt blijft tot personen en burgers uit onmacht meer geneigd zijn te stemmen op een sterke man die wel even de bezem door Den Haag zal halen. Tegen het tweede aspect van de directe democratie brengen politici vaak in dat de meeste burgers te weinig kennis hebben om de complexe beslissingen te nemen waar politici voor staan, of dat er teveel belangenconflicten zijn tussen maatschappelijke groeperingen die allemaal een deel van de ‘maatschappelijke koek’ willen. Het vertegenwoordigende systeem zou dit moeten managen, omdat het ‘schip van staat’ ander onbestuurbaar wordt. Voor zover dat waar is, wordt dat echter grotendeels veroorzaakt doordat politici het derde aspect van gelijkheid verzaken: de democratie, dan wel de wet, moet zich beperken tot die onderwerpen die voor iedereen in gelijke mate gelden. De democratie heeft, om het anders te zeggen, haar eigen werkingsterrein waar zij zich niet buiten moet begeven. Doet zij dit wel, dan riskeert de democratie ten eerste chaos en ten tweede dat de andere terreinen waar zij zich mee bemoeit, zich zullen omkeren en zich op hun beurt met de democratie gaan bemoeien.
Er zijn tenminste twee terreinen waarmee de democratie zich niet moet bemoeien. De eerste is wat je nog het beste het geestesleven kunt noemen, de tweede het economisch leven. Onder het geestesleven vallen onder andere onderwijs, wetenschap, religie, kunst, media, het stichtings- en verenigingsleven (de ‘NGO’s’) en in het algemeen het privéleven van mensen. Dit gedijt het beste in vrijheid. Wat op dit terrein juist is, kan alleen worden bepaald door de mensen die het aangaat, of wel de mensen die de persoonlijke kwaliteiten hebben om juist te oordelen. In de negentiende en vroege twintigste eeuw kreeg het geestelijke-culturele terrein enige vrijheid door de klassieke grondrechten: vrijheid van onderwijs, religie, drukpers en vereniging. Onder invloed van diverse troebele politieke ideologieën zijn diverse vrijheden overigens later in de twintigste eeuw weer deels teruggerold. Zo werden het Nederlandse cultuurbeleid en de daaraan gekoppelde subsidies ingevoerd door de Duitse bezetters tijdens de Tweede Wereldoorlog. Om cultuuruitingen in de door hen gewenste politieke richting te sturen. De onderwijsregulering is historisch vooral ingevoerd door socialisten (om de maatschappij te ‘socialiseren’), religieuzen  (omdat ze onderwijs zagen als een vehikel om het geloof met de paplepel in te gieten) en grootkapitalisten (omdat ze arbeiders wilden disciplineren en naar de lopende band leiden). Neem het onderwijs. Wat Mereltje op school nodig heeft, kan het beste worden beoordeeld door haar leraar en de andere schoolmedewerkers. Zij kennen Mereltje en ze beschikken over de nodige pedagogische opleiding en ervaring. Ambtenaren niet. De Nederlandse staat stelt nu richtlijnen op hoe het onderwijs per jaar moet worden ingericht en hoe er geëxamineerd moet worden. Dat leidt tot ondermijning van de onafhankelijkheid van scholen. De redenen waarom de media onafhankelijk van de staat moeten zijn, zijn dezelfde waarom scholen onafhankelijk moeten zijn. In het geestesleven worden nieuwe inzichten geboren, ontstaat werkelijke betrokkenheid tussen mensen, worden normen en waarden overgedragen. Deze inzichten en betrokkenheid stromen vervolgens in het staatsleven binnen. De staat is hiervan afhankelijk. Als de staat zich omkeert en het geestesleven wil reguleren vanuit politieke doelstellingen, legt hij zijn eigen bron van vernieuwing droog. 
     
rouseau.jpg
Jean-Jacques Rousseau, grondlegger van
het principe van de volkssoevereiniteit.
 
Averechts
Hetzelfde geldt voor de economie: de kringloop van productie, handel en consumptie. Regulering door de staat van het eigenlijke economische leven werkt averechts. Een democratisch geleid bedrijf zal snel failliet gaan. De dynamiek tussen ondernemers, consumenten en handelaren wordt alleen maar gehinderd wanneer de staat tussenbeide komt. Sinds de instorting van het communisme is dit principe veel meer geaccepteerd in het Westen. Maar vooral in Europa is er nog veel strijd te leveren. De staat hoort bijvoorbeeld geen ‘industriepolitiek’ te voeren. Ik hoorde onlangs de leider van de sociaaldemocraten in het Europees Parlement pleiten voor overheidssubsidies van noodlijdende bedrijven, ‘zodat ze straks weer winstgevend kunnen worden en banen behouden kunnen blijven’. Maar dat is een klassieke rol van de banken en andere financiële instellingen. Zij zijn veel beter dan ambtenaren of europarlementariërs in staat deskundig in te schatten welke bedrijfstakken echte overlevingskansen hebben, ofwel waar kapitaal het meest productief kan zijn. Een belangrijke kanttekening hierbij is dat de indeling in maatschappelijke terreinen iets anders is dan de indeling in organisaties. Niet alles wat bedrijven doen, is economisch van aard. Arbeidsverhoudingen horen bijvoorbeeld in principe tot het rechtsleven en kunnen 

door de democratie worden gereguleerd. Er is ook rechtsleven in scholen, bijvoorbeeld het verbod op lijfstraffen, dat niet aan de vrijheid van die school wordt overgelaten. De staat kan dus wel degelijk sociale zekerheid regelen. Maar zij moet daarvoor heel andere methodes kiezen dan het voeren van industriebeleid of socialistische (nep-)-banencreatie.

Het omgekeerde gebeurt overigens ook: dat de economie en het geestesleven de democratie overvleugelen. In de Verenigde Staten worden presidentskandidaten gefinancierd door bedrijven en rijke personen waarbij niemand er een probleem van maakt dat zij daarvoor iets terugkrijgen: voordelige wetgeving of een mooie ambassadeurspost. In de fanatieke islam en het communisme gebeurde juist het omgekeerde: particuliere (pseudo)-religieuze bewegingen kapen de staat om van daaruit aan de maatschappij en de economie hun particularistische ideologie op te leggen. Het gaat er niet alleen om dat de deelnemers binnen de democratie – burgers, ambtenaren en politici – vaak de specialistische kennis niet hebben om besluiten voor docenten en ondernemers te nemen.

Het gaat de democratie ook niets aan. Burgers moeten in vrijheid van gedachten kunnen wisselen, ouders en leerlingen moeten in vrijheid hun eigen school kunnen kiezen of stichten en patiënten moeten hun eigen geneesmiddelen en artsen kunnen kiezen. Als ik een contract sluit met iemand anders, gaat dat niemand anders aan zolang wij geen derden schaden. Het maakt hierbij overigens niet uit of interventies van de democratie in het geestesleven of de economie op democratische (meerderheids)-steun gebaseerd zijn of niet. Het maakt voor de vrijheid van meningsuiting niet uit of zij wordt gekneveld door een minderheid via dwangmiddelen, of door een meerderheid via de nette democratische kanalen (die overigens in laatste instantie ook op het geweldsmonopolie van de staat berusten). Dit derde principe doet een belangrijk

argument van tegenstanders van referenda teniet: dat burgers te weinig kennis van zaken hebben om overal over mee te beslissen. Hetzelfde geldt voor veel politici. Het doet ook het argument van bescherming van minderheden grotendeels teniet. Die bescherming zit hem nu juist in de (zelf)beperking van de staat tot het regelen van rechten en plichten die voor iedereen gelijk zijn, en een zich onthouden van het sturen van allerlei maatschappelijke tendensen via ‘beleid’. De staat moet zich wel opstellen zoals hier is geschetst, omdat ze een totaal andere instelling is dan private organisaties (profit of non-profit).

De staat heeft, op een bepaald grondgebied, een uitsluitende publiekrechtelijke bevoegdheid die wordt gesteund door het geweldsmonopolie. Er is met andere woorden maar één staat in Nederland, die dwingende wetten schrijft waar burgers zich niet aan kunnen onttrekken. Proberen burgers dit toch, dan vinden ze gewapende agenten, rechters en gevangenissen op hun pad.

Bij private organisaties is dit niet zo. Van elk soort organisatie kunnen er in principe oneindig naast elkaar bestaan. Zij hebben geen harde macht over hun leden en geen publiekrechtelijke bevoegdheden. Een bedrijf zal alleen al naar consumenten luisteren omdat zij anders naar de concurrent zullen gaan. Het staat de vrouwen in de SGP bijvoorbeeld vrij om een kopie van de SGP op te richten waar alles hetzelfde is, behalve dat vrouwen wel mee kunnen doen. Daarom is het onzin dat de staat de SGP gaat proberen te dwingen om toch vrouwen toe te laten. Daarom moet de staat voor alles democratisch zijn, in de drie betekenissen die hier zijn geschetst. Als de democratie zich niet tegelijk (verticaal) uitbreidt door de invoering van referenda en zich (horizontaal) beperkt in haar greep op de samenleving, dan is de staat een dwingeland in plaats van een dienaar.

Arjen Nijeboer is zelfstandig consultant en publicist