|
In juni 1993 werd door het College
van Gedeputeerde Staten van Drenthe
de wenselijkheid uitgesproken om
de Drentse gemeenten te herindelen.
Drenthe is dunbevolkt en telt, verspreid
over 34 gemeenten, evenveel inwoners
als Rotterdam-Zuid. Aanleiding voor
deze herindeling was onder andere de
ontstane wildgroei van hulpstructuren
zoals gemeenschappelijke regelingen.
Nadelen bij deze hulpstructuren zijn bij
voorbeeld dat geen directe democratische
legitimering aanwezig is, aangezien
de besturen niet rechtstreeks gekozen
zijn.
Na akkoord verklaren door een meerderheid
in de Drentse Staten werd de
‘commissie Van Splunder’ gevormd die
het College zou adviseren omtrent de
randvoorwaarden alsmede over de
vorm en de omvang van een wenselijk
geachte herindeling. De achtergronden
en doelstellingen sloten aan bij het toenmalige
rijksbeleid. De Drentse gemeenten
zouden groter en krachtiger worden
met deskundige, voltijdse wethouders
en ambtenaren die gespecialiseerd
zouden zijn op bepaalde terreinen. Ook
zouden de gemeenten voldoende toekomstwaarde
moeten hebben. Er moesten
sterke gemeenten ontstaan die integraal
het hun toegewezen
|
takenpakket
kunnen vervullen. Dit betreft dan
de lokale basistaken op het gebied van
sociale zorg, ruimtelijke ordening, infrastructuur,
volkshuisvesting en milieu.
Verder zouden grotere gemeenten beter
tegenspel kunnen bieden aan andere
overheden en beter kunnen inspelen op
maatschappelijke ontwikkelingen.
De uitgangspunten waren duidelijk. De
gemeentelijke herindeling is een praktische
benadering waarbij het goed
uitvoeren van taak en functie van een
gemeente centraal staat. Hulpstructuren
moesten zoveel mogelijk worden
teruggedrongen. De provinciale
grenzen zouden blijven zo die waren.
Gemeenten zouden in hun geheel bij
herindeling betrokken worden. Nieuw
te vormen gemeenten moesten een
duidelijke samenhang vertonen. Het
Provinciaal Omgevings Plan(POP) van
Drenthe zou als leidraad dienen bij het
bepalen van deze samenhang. Aan de
nieuw te vormen gemeenten zouden
– wat het inwonertal betreft – hogere
eisen worden gesteld; een ondergrens
werd daarbij niet gesteld. Gemeenten
die ‘trekkers’ zijn in regionale ontwikkelingen
namen een aparte positie in en
kregen meer ruimte ter beschikking. Gebieden
met een gelijksoortige problematiek
zouden bij voorkeur binnen dezelfde
|
|
gemeente worden ondergebracht. Er
was een maximum voor het aantal gemeenten
dat in een groter verband
werd samengebracht. Door de gemeenten
zelf genomen initiatieven tot
herindeling zouden positief worden
benaderd, maar moesten wel passen in
het totaalbeeld. Knelpunten in de gemeentelijke
bestuurspraktijk moesten
worden weggenomen.
En zo ontstonden er twaalf nieuwe gemeenten
in Drenthe.
Ambitie
Nu – tien jaar later – is een evaluatie
wel op haar plaats. Mogelijk helpt daarbij
de studie van prof.dr. Herweijer die
in zijn ‘Effecten van herindeling’ de situatie
in de provincie Groningen beschreef,
waar reeds in 1986 een herindeling had
plaats gevonden. Herindelingsmotieven
waren toen: ruimtegebrek van naburige
snelgroeiende gemeenten, de bestuurskracht
|
van de te kleine gemeenten en de
reductie van de regiobesturen (WGRregio`
s). Daarbij kwam dat bestuurders
van kleine plattelandsgemeenten het
initiatief namen om samengevoegd te
worden om te voorkomen dat zij tegen
hun zin toegevoegd werden aan een
ambitieuze stedelijke centrumgemeente.
Een vijfde motief is geponeerd door
provincie/rijk onder het mom van ‘bestuurlijke
vernieuwing’. Belangwekkend
was dat door de herindeling in meerkernige
streekgemeenten tendensen
ontstonden om taken over te dragen
aan dorpsverenigingen en dorpsraden;
er werd gezocht naar wegen om de nadelen
voor een klein deel te nivelleren.
Politieke partijen zijn een essentieel onderdeel
van onze democratie. Op het
vlak van de participatie van burgers in
de gemeentepolitiek scoren de heringedeelde
gemeenten – bij alle indicatoren
|
|
5 procent was enthousiast over de gemeentelijke
herindeling; 52 procent was
mordicus tegen en de rest ‘mocht het
worst wezen’. Dat de herindeling dus
niet zo`n succes is geworden is een
ietwat eufemistische benadering. Vanuit
de gemeentebesturen kwam er een
massieve kritiek op de rol en de taakuitoefening
van de Provincie; als de
zaken niet naar wens gaan, zoek je de
schuld altijd bij de ander. De afstand
tussen burgers en bestuur is op velerlei
gebieden vergroot (dat is vooral voor de
ouderen een ongunstige ontwikkeling).
Ook de dienstverlening is sterk achteruit
gegaan en het voorzieningenniveau –
vooral op het platteland – heeft geleden
onder de veranderingen. De bestuurlijke
organisaties blijken door de grootschaligheid
vaak slecht te functioneren,
de financiële mogelijkheden van de gemeenten
gaan achteruit, de kosten voor
de burgers nemen alleen maar toe en
de politieke interesse daalt verder. Er
is wel een duidelijk verschil in beleving
bij de vier stedelijke gemeenten (de HEMA-
kernen Hoogeveen/Emmen/Meppel/
Assen) en de acht meer landelijk
gerichte gemeenten. Men trekt echter
vrij algemeen de conclusies dat er geen
wens is om tot een nog grotere opschaling
te komen, dat er geen verbetering is
gekomen in de regionale samenwerking
of in de relaties tussen de centrumgemeenten
en de plattelandsgemeenten,
dat er aan cultuurverschillen weinig of
niets gedaan wordt etc. Terugdraaien
kan men de situatie niet maar men heeft
de handen meer dan vol aan een stuk
verbeteringsaanpak.
Diverse geledingen in onze Drentse
samenleving heb ik gevraagd naar hun
reacties. Eerst benaderde ik de Drentse
burgemeesters. Zij hebben de gemeentelijke
herindeling voor de burgers
ervaren als een emotionele zaak; op
het gemeentehuis moet men zijn voor
een rijbewijs etcetera en dat is nu verder
weg; men denkt ook dat de zorg
voor de individu verminderd is. Het
|
blijkt moeilijk om eenmaal verloren
vertrouwen te herwinnen; men komt niet
meer even aanlopen op het gemeentehuis;
de besluitvorming is taaier en complexer
geworden; men laat eigen belang
(dorpisme) niet los; de Provincie moet
leren gedetailleerd toezicht op de gemeente
te vergeten; mogelijk worden in
grotere gemeenten bepaalde taken beter
uitgevoerd. De reacties kenmerken
zich door een grote mate van diversiteit,
maar de burgemeesters hebben grotere
gemeenten gekregen en zijn daarom
niet afwijzend.
Bij de wethouders kon ik onder andere.
vaststellen: de gemeenten waren
te klein om hun taken naar behoren uit
te voeren, fulltime wethouders ontwikkelen
meer bestuurskracht, door de
schaalgrootte zijn er meer mogelijkheden
voor grotere projecten, voor
verenigingen van dorpsbelang liggen er
mooie taken om als intermediair op te
treden, op het terrein van onderwijs,
wmo-beleid, brandweer, kunst & cultuur,
minderhedenbeleid etcetera kan
een grotere gemeente meer doen.
Ook hier dus in het algemeen een positieve
toonzetting. In het kader van het
dualisme nu dus het woord aan de volksvertegenwoordigers
– de raadsleden dus
–: de financiële problemen vereisen een
drastisch ingrijpen, er liggen nog steeds
kwaliteitsproblemen bij de ambtenaren,
(het blijft moeilijk om kwalitatief goed
jong personeel te werven), men krijgt
minder geld uit het gemeentefonds, afkopen
van samenwerkingsverbanden is
duur, discussies over de locatie van een
te bouwen gemeentehuis, buurthuizen/
zwembaden/sportvelden zijn moeilijk
te handhaven, frequent verandert de
organisatiestructuur, inhuren van dure
externe bureaus , oude reserves worden
aangesproken (de beschikbare 83
miljoen voor herindeling naar twaalf gemeenten
bleek niet voldoende), veel te
veel gelijksoortige ambtenaren die de
eigen positie willen veiligstellen, burgers
moeten te lang op antwoord wachten,
|
de aandacht van de burger voor politiek
handelen loopt dramatisch terug. Het is
duidelijk dat de Raadsleden niet bijster
enthousiast zijn.
Andere aanpak
Dit alles overdenkende, ist toch wel de
conclusie gerechtvaardigd dat er – na
tien jaar – niet bijster veel enthousiasme
voor een opgelegde gemeentelijke
herindeling valt te bespeuren. In het
blad van de VNG stond recentelijk dat
problemen ook anders aangepakt kunnen
worden: In de gemeente Ten Boer
in Groningen heeft men slechts dertien
ambtenaren op een bevolking van 7.200
(in 2006 nog 52 ambtenaren).
De ambtenaren zijn vertrokken naar
de stad Groningen (afstand 12 km).
Daar worden in het groot de ambtelijke
zaken voorbereid en uitgevoerd.
In Ten Boer zijn nog drie beleidsregisseurs
(welzijn, ruimte en publieke zaken/
dienstverlening) en een financieel
controleur, die de opdrachten van het
College uitvoeren + gemeentesecretaris,
de raadsgriffier en enige ambtelijke
ondersteuning. Er blijft voor de burgers
een balie. Eemnes (provincieUtrecht)
en Blaricum en Laren (Noord-Holland),
met ieder ongeveer 10.000 inwoners,
hebben hun ambtelijke organisaties samengevoegd,
maar hebben nog wel eigen
Colleges, een eigen secretaris en
een regiestaf van drie personen. Het
College zit op drie verschillende plaatsen
en dat vereist wel wat postverkeer.
Er is een werkgarantie – geen baangarantie
– voor alle ambtenaren. De organisatie
is efficiënter geworden.
In Drenthe proberen we er met elkaar
in de twaalf gemeenten het beste van
te maken; zo zijn Drenten nu eenmaal.
Voor de onafhankelijke politiek liggen er
in Drenthe mooie kansen, want er waren
in 2007 voldoende kiezers voor drie
Statenleden. Wat zal 2011 brengen?
Adrie Gaasbeek is oud-statenlid voor de Onafhankelijke Partij Denthe
|