|
Je mocht hem of je mocht hem niet. PvdApoliticus Joop den Uyl (1919-1987) had zowel fervente supporters als verklaarde tegenstanders. Wat was dat toch? Want er zijn buiten hem niet veel politici die vele jaren na hun dood nog heftige emoties losmaken. Den Uyl, zeker als premier van Nederlands meest linkse kabinet van na de oorlog, was een allesweter, een betweter misschien, maar ook een inspirator die weliswaar gebroken had met zijn gereformeerde milieu waarin hij opgroeide, maar waarvan de normen en waarden het fundament van zijn sociaaldemocratische maatschappijvisie vormden. De politicologe en journaliste Annet Bleich schreef een biografie van Den Uyl die zich gemakkelijk laat lezen en toch volledig recht doet aan de gedreven sociaaldemocraat én machtspoliticus die hij was. Als eerste kon ze gebruik maken van het rijke archiefmateriaal, zoals dagboeknotities en samenvattingen van gesprekken, door Den Uyl nagelaten. Ook sprak ze met velen die hem van nabij meemaakten, onder wie zijn kinderen. Het is een mooi boek dat zonder meer klassiek zal worden.
Wie echter onthullingen verwacht komt bedrogen uit. Onbekend tot nog toe was alleen dat de jonge Den Uyl eind jaren dertig enige sympathie koesterde voor antidemocratische regimes. Die flirt met rechts nationalisme was in die tijd niet ongebruikelijk in studentenkringen, zoals het levensverhaal van de vroegere Franse socialistische president Mitterand leert. En de andere onthulling was eigenlijk al bij velen bekend. Dat betreft het verzwijgen van de tweede omkoopaffaire van prins Bernhard, die behalve steekpenningen van Lockheed ook geld had aangenomen van vliegtuigbouwer Northrop. De bevindingen daarover van de Commissie van Drie in 1976 stopte hij stilletjes in een kluis. Den Uyl was afkomstig uit een middenstandsgezin en ging midden in de crisistijd economie studeren in Amsterdam. Daar raakte hij onder de indruk van sociaaldemo
|
sociaaldemocratische economen als Tinbergen. Deze bepleitte in navolging van de Britse econoom Keynes een planmatige economische ordening met overheidssturing. Tijdens de bezetting raakte de verlegen Den Uyl verliefd op een joods meisje. Haar transport naar Auschwitz maakte veel indruk op hem en bezorgde hem een diep schuldgevoel. Later maakte hij kennis met Liesbeth van Vessem, een beetje dominante en eigengereide jonge vrouw, die een grote invloed op hem zou krijgen. Nog tijdens de oorlog trouwden ze, verkeerden in bohemienachtige kringen en werden op bescheiden schaal actief in het verzet.
Na de oorlog werd Den Uyl redacteur van het gematigd linkse weekblad Vrij Nederland. In die naoorlogse jaren, waarin het er even op leek dat Nederland zich ingrijpend zou vernieuwen, was hij het meest rebels. Hij keerde zich tegen de politionele acties die Nederland tegen de jonge Indonesische republiek voerde en in het oprukkende anticommunistische klimaat hield hij zeker het hoofd koel. Onvoorwaardelijk echter koos Den Uyl voor het vrije Westen en voor de PvdA, maar hij weigerde mee te gaan met de opvatting dat democratie slechts voor democraten is bestemd. De bestrijding van dergelijke tegenstanders moest niet overgelaten worden aan de geheime politie. Het ging om inhoudelijke confrontatie: het politieke debat. Hier tekenden zich al de contouren af van de oudere Den Uyl, de premier die onvermoeibaar en vasthoudend zijn politieke visies uiteenzette.
In de jaren vijftig ontwikkelde Den Uyl zich zoals zo velen tot een mainstream PvdA-lid, met dien verstande dat hij allengs doordrong tot de partijtop. Als directeur van de Wiardi Beckman Stichting, het wetenschappelijk bureau van de partij, en tegelijk als raadslid en vervolgens fractievoorzitter van de PvdA in Amsterdam leverde hij zijn bijdrage aan de wederopbouw, het tijdperk van orde, tucht en ascese, gericht op een groeiende economie met als pijlers een geleide loonpolitiek
|
en een beleid dat de industrialisering van Nederland stimuleerde. En bij dit alles verwachtte Den Uyl het meeste resultaat van een overheid die pal staat voor de vrijheden van de burger, een instrument als het ware om de uitwassen van het kapitalisme te beteugelen. Niettemin kan van Den Uyl niet gezegd worden dat hij zich blind aan eenmaal verworven standpunten bleef vastklampen. Zijn biografe signaleert wat dat betreft een vast patroon in zijn intellectuele ontwikkeling. Hij was iemand die lang twijfelde, een nieuw denkbeeld of nieuwe invalshoek van alle kanten bestudeerde, langdurig argumenten en kritiek tot zich door liet dringen. Maar als hij tot een keuze was gekomen, maakte hij zich die volledig eigen. Zo duurde het eind jaren vijftig even voordat hij zich op aanraden van vakbondsman André Kloos verdiepte in The Affluent Society (De maatschappij van de overvloed) de studie van de Amerikaanse econoom Galbraith. Met diens boodschap dat voor een stabiele economische groei en een rechtvaardiger samenleving het evenwicht tussen de publieke en de private sector een absoluut noodzakelijke voorwaarde was, had Den Uyl het aanvankelijk moeilijk. Juist nu de welvaart brede lagen van de bevolking begon te bereiken, moest de arbeider toch ook een auto gegund worden? Maar na verloop van tijd drong het tot hem door dat je weinig aan een auto hebt als het wegennet daar niet op berekend is. Voortaan zou ‘de kwaliteit van het bestaan' voorop staan.
Intellectueel
Het lag voor de hand dat hij als econoom een wethouderschap economische zaken toebedeeld zou krijgen. En inderdaad gebeurde dit in 1962. Ook stadsontwikkeling en publieke werken behoorden tot zijn portefeuille. Maar was Den Uyl eigenlijk een typische econoom? Veeleer manifesteerde hij zich wisselend als planoloog, cultuurfilosoof en socioloog. Behalve een uitgesproken bestuurder was Den Uyl tegelijk een intellectueel
|