Home Locomotie 37
Fryslan, dat is mijn kleine huis | Afdrukken |  E-mailadres
Locomotie 37
donderdag, 30 april 2009 11:37
locomotie37jkramer

Door A.J. Snel

Fryslân, dat is
mijn kleine huis

Algemeen directeur/gemeentesecretaris
te Menaldamudeel is hij. Kramer (Sneek,
1967) hoeft maar kort te kauwen op de
vraag of hij met die beroepskeuze een
jongensdroom in vervulling heeft doen
gaan. ’Ik had natuurlijk piloot willen worden.
Maar ja: kleurenblind.’

Zijn vader opvolgen als boer, dat is nooit
bij hem opgekomen. ’Dat zat niet in me
en mijn ouders hebben me ook nooit die
richting uit willen sturen.’ Na de VWO in
Sneek trok hij naar Leiden om juridischpolitieke
wetenschappen te studeren.
’Ik heb dus de saaiheid van het recht
gecombineerd met de vaagheid van de
sociologie,’ zegt hij niet zonder zelfspot.
’Die sociologische component beviel me
omdat ik na nature nieuwsgierig ben naar
het antwoord op de vraag waarom mensen
doen zoals ze doen. In absolute zin
kom je dat niet te weten maar ik heb wél
geleerd dat een bepaald gedrag vaak
meerdere redenen heeft en dat cultuur
daarbij een belangrijk aspect is. Mensen
verpersoonlijken zich met wat ze doen. In
de krijgsmacht -ik was als dienstplichtige
reserve-officier Cavalerie bij de Huzaren
van Boreel – heb ik daar met veel plezier
en belangstelling naar gekeken.
Het is een eigen wereld met veel ego’s,
mannetjes die een rol spelen waarbij
ze zich raar gaan bewegen
en raar gaan spreken. Het gaat in
de hoofden zitten dat het in die groep
zo moet, dat je zo doet als je erbij wilt
horen. Dat fascineert me.’

Zo kijkt hij ook geboeid naar het spel
waaraan hij binnen de politiek deelneemt.
Vijf van de vierenveertig zetels worden
bezet door de FNP, die daarmee de vierde
partij in de Friese Staten is. Binnen het
dagelijks bestuur van de provincie is de
FNP niet vertegenwoordigd. ’Het CDA,
de PvdA en de Christen Unie vormen
het college van Gedeputeerde Staten.
Het CDA wilde ons er niet bij hebben,
had liever de CU als stootkussen. Het zij
zo. Naar mijn idee zijn we daarmee niet

Flegmatieke man, Johannes
Gerrit Kramer. Welzeker, de
fractievoorzitter van de Fryske
Nasjonale Partij in de Friese
Staten, toont zich gedreven
als het om de Friese zaak, de
Friese taal vooral, gaat. Niet
verbeten of drammerig.
Bevlogen; met een glimlach.
Wie hem hoort praten zal
niet verwonderd zijn dat hij
een aantal eretitels heeft verworven
als uitnemend en zeer
eloquent statenlid.

 

Een ontmoeting in het gebouw dat
tijdelijk dienst doet als provinciehuis.
Broodjes, keus uit koffie, sûppe en molke
ofwel karnemelk en melk, Friese woorden
waarover, naar Kramer meldt, ooit
een hooglopend conflict is uitgevochten
in een tijd dat om de taal nog echt strijd
werd geleverd. Kramer maakt op milde
toon bezwaar als de term ’Algemeen
Beschaafd Nederlands’ valt voor de afkorting
van ABN. Daarmee wordt gebrek
aan beschaving gesuggereerd als het om
dialecten of een andere taal gaat die
binnen de grenzen van dit land worden
gesproken. En hij weerlegt met kracht
dat de instandhouding van het Fries valt
onder de categorie ’luxeproblemen’. ’Taal
heeft alles met de eigen identiteit te
maken,’ zegt hij. ’Identiteit wordt je door
anderen gegeven. Taal heeft dus ook te
maken met de plaats die je wordt toegekend.
Vaak is er een verband met een
sociaal conflict, met ongelijkheid. Kijk
maar naar de Vlamingen, de Noren, de
Schotten, de Ieren. Taal wordt gebruikt
om te classificeren. Je ziet, ook in Friesland,
dat ouderen het gevoel hebben dat

ze op een lagere sport van de maatschap-
pelijke ladder staan als ze hun eigen taal
spreken. Ze denken dat ze daardoor als
niet fatsoenlijk gezien worden. Jammer
en onterecht. Natuurlijk moeten we het
Fries behouden. Meertaligheid is beter
voor de ontwikkeling van het denken, het
opent meer vensters op de wereld.
En onder de taal ligt een diepe emotionele
lading. Het heeft te maken met de
blik die je op jezelf richt, het zegt onder
meer iets over machtsverhoudingen.
Daarom vinden wij dat het Fries actief
moet worden gebruikt in het openbaar
bestuur en in de politiek.’
Relativerend: ’Geen enkele taal, dus ook
niet het Fries, is statisch. Natuurlijk verandert
het en daar is ook geen bezwaar
tegen. We hebben te maken met veel
import in Friesland, mensen die we
graag opvangen en die we niet willen
dwingen Fries te spreken maar die we
daartoe wel graag verleiden.
Als ze hun best doen om ons te
verstaan, vinden we dat heel mooi, willen
ze het leren spreken, des te beter. Waarbij
niemand zijn eigen identiteit hoeft op
te geven. Ik zou zeggen: doe met ons mee
en blijf vooral ook jezelf.’
Vrolijk: ’Het rumoer dat er is geweest
over de vraag of in vergaderingen van het
openbaar bestuur Fries gesproken mocht
worden, dat had er helemaal niet hoeven
zijn. Er is namelijk nergens in wet of regels
vastgelegd dat het allemaal in het
Nederlands zou moeten. Swahili had ook
gemogen. Terzijde, als Fryske Nasjonale
Partij gunnen we mensen van elders ook
dat zij hun eigen taal binnen de eigen
groep gebruiken.’

pagina 1 van 2

 

buitenspel gezet. Onze inbreng bij de besprekingen rond de vorming van het college van GS speelt wel degelijk mee. Waar wij staan? Ten aanzien van cultuur en taal zullen we als radicaal worden gezien. Verder staan we dicht bij D66: gematigd, pragmatisch. Buiten het college opereren heeft ook aantrekkelijke kanten. Bijvoorbeeld, je kunt helder blijven spreken. In een land als Nederland en ook in een provincie als Friesland kun je alleen besturen door coalities te vormen. Je ziet altijd weer dat wie aan de macht zijn zich anders gaan uiten, omdat de bestuurlijke praktijk waarmee zij worden geconfronteerd niet volledig spoort met de ideeën die ze ventileerden toen ze nog gekozen moesten worden. Mensen als Lubbers en Van Agt, toe die eenmaal regeerden, waren ze niet meer te volgen. Maar eerlijk is eerlijk: het is ook niet zo eenvoudig compromissen te verklaren op een niveau dat voor een zestienjarige te begrijpen valt.' Le Plat Pays, het Vlakke Land, chanson van Jacques Brel, daarin wordt naar Kramers idee benaderd wat hij voelt voor zijn eigen Friese land en de mensen die er wonen. Eerst wat karakteristieken: 'Friezen hebben een sterk ontwikkeld gevoel voor het met elkaar omgaan op voet van gelijkheid. Ze zijn nuchter en tegelijkertijd eigenlijk heel sentimenteel. Ze houden van sport. En van zoetigheid.' Dan wat gevoelens: 'Ik houd van het Friese landschap met de variatie van bos, meren en weiden. De schakeringen van grijs en groen, het water en de lucht, daar houd ik van. Het gaat me ook om schaatsen en kaatsen, paarden, de prachtige Friese rashond, de Stabij. Ook heel mooi: een keertje Heerenveen-Ajax 1-0. Trots is een groot woord. Te groot, vind ik. Ik zoek het in wat ik zou willen aanduiden als het nationalisme van het kleine huis. Fryslân is mijn kleine huis. Ik weet best dat het dak wel eens een beetje lekt en dat het er kan tochten, maar tóch, het is de plek waar je het liefst naar terugkeert. Superieur of geweldig is het niet, maar het is van jóu. Dat geldt ook voor de kleine katholieke parochie waartoe ik behoor. Ja, ik zit in het bestuur. We vormen een kleine groep die tijdens de reformatie heeft vastgehouden aan het oude geloof en die er ook heden ten dage nog een zeer blijmoedige godsdienstbeleving op nahoudt. Vandaag de dag vind ik het wel eens moeilijk om gemotiveerd te blijven. De vernieuwingen van de jaren zestig, waarmee ook mijn ouders zich verbonden voelden, wat toen op gang kwam, is vermalen door de restauratie van de laatste jaren. Er doen zich nu dingen voor die je tot de vraag brengen of het niet tijd wordt er maar eens uit te stappen. Aan de andere kant, los van wat zich op supernationaal niveau in de wereldkerk voordoet, blijft die kleine groep mensen met dat opgewekte geloof warmte bieden.' Voor Johannes Kramer is de historie van belang, maar hij wil er niet aan blijven haken. 'Het is een misvatting ons te zien als een behoudzuchtige club die het liefst een afscheiding van Friesland tot stand zou brengen om in afzondering alles bij het oude te laten. Nederland is ons goed genoeg, hoewel het beter zou kunnen. Waar het ons om gaat is verder bouwen op de pijlers van onze cultuur. We willen meerwaarde behalen door de geschiedenis te gebruiken als een bron van creativiteit. Met gebruikmaking van wat nu geboden wordt. Je ziet in openluchtspelen, in popmuziek, nieuwe dingen ontstaan die heel waardevol zijn, die iets relevants toevoegen aan onze cultuur.' Kramer signaleert dat niet vaak meer, zoals in het verleden het geval was, met een meewarige blik naar zijn partij wordt gekeken. 'Begin jaren zestig werden we door velen gezien als Gekke Henkie's. Gaandeweg zijn we van Heimatpartij veranderd in salonfähig. We worden niet meer als wereldvreemd en afkerig van alle vernieuwing gezien. Onze ideeën vinden steeds meer weerklank, worden niet meer zonder meer door andere politieke partijen afgewezen. Sterker, men neemt dingen van ons over. Ook op die manier spelen we een relevante rol. We hebben bij de vorige verkiezingen wel het voordeel gehad dat we een sterk onderwerp hadden om tegen te zijn: de zweeftrein die van Groningen naar Amsterdam zou moeten lopen. Dwars door Friesland. Een vernielzuchtig idee, moorddadig voor ons landschap. Wij hebben ons daartegen verzet en dat leverde behoorlijk wat goodwill op. Het plan is van tafel. Maar los daarvan, er is een groeiende stroom van mensen die vinden dat veel zaken dicht bij huis geregeld moeten worden. Den Haag is een eind weg. Het sjabloondenken van de traditionele politieke partijen vindt minder ingang. Natuurlijk hebben we toekomst. De rol van de provincie en de gemeenten moeten van meer betekenis worden, we moeten meer greep krijgen op zaken die ons direct aangaan en die we in de regio ook heel goed zelf kunnen regelen. Dat is onze invulling van het begrip 'zelf verantwoordelijkheid nemen'. Voor de Fryske Nasjonale Partij is het begin en het eind van het verhaal dat wij er zijn voor Fryslân.'
locomotie37_yngong

pagina 2 van 2

Laatst aangepast op donderdag, 30 april 2009 13:57