|
Zo dwars als pokhout is ze.
Dat zal ze niet van een vreemde hebben. Toen haar vader haar in juli 1942 in Den Oever, dorp aan zee in het uiterste van de Kop van Noord-Holland, aangaf bij de burgerlijke stand had hij vijf namen in gedachten: Emma, Wilhelmina, Juliana, Beatrix, Irene.
Op dringend advies van de ambtenaar
ten gemeentehuize ging hij met frisse tegenzin akkoord met drie voorlopige
voornamen: Emma, Mientje, Juultje. Maar direct na de oorlog zou formeel de wijziging
worden genoteerd en zo ook geschiedde.
Vandaar dat thans in het Zeeuwse Kortgene
een tegendraadse dame woonachtig
is met de volledige naam E.W.J.B.I. Kraak,
die met onverholen genoegen weet mee
te delen dat haar vader helemaal niet zo
Oranjegezind was. Maar ja, de oude
Kraak duldde geen vreemde hand. Hij
was in het verzet, saboteerde Duitse verbindingen en nam onderduikers in huis.
Met het vertrek van de koninklijke familie
naar het Verenigd Koninkrijk en Canada
was hij bepaald niet gelukkig. Niettemin,
die blonde Bestie, zoals Nietzsche de gedachte
Übermensch aanduidde, was hem
onwelkom. Hij liet zich niet de wet voorschrijven
door de ongenode nationaalsocialisten.
Vandaar zijn opstelling toen Emma als achtste van de negen kinderen die zijn vrouw en hij tenslotte rijk zouden zijn, werd geboren. Ze heeft, ziet ze op
|
afstand in de tijd, met veel dingen waar haar vader voor stond, geworsteld. Maar ze is zich ervan bewust dat haar eigen onverzettelijkheidze is zich ervan bewust dat haar eigen onverzettelijkheid komt van een stam waarvan ze niet zo heel ver is verwijderd geraakt.
‘Het is dubbel, zoals haast alle dingen meer gelaagdheden hebben. Mijn vader had een enorme vrijheidsdrang en ik heb hem zijn gedrag, dat daaruit voortkwam, wel kwalijk genomen. Hij nam, ook voor zijn gezin, risico’s waar je vragen bij kunt stellen. Ik zou dat niet doen en terwijl ik dat zeg, ben ik me ervan bewust dat ik bang ben dat ik wél net zo zou handelen als mijn vader. Wat dat is? Een over- dreven gevoel voor rechtvaardigheid. Ik herinner me nog haarscherp hoe vreselijk ik het als kind vond toen een onderwijzeres een jongen sloeg. Daar wil ik niet bij zijn. Tegelijkertijd, ik voel een drang, een dwang, om onrechtvaardigheid te bestrijden. Daar móet ik me mee bemoeien. Daardoor wek ik op buitenstaanders de indruk dat ik heel zeker van mezelf ben, maar ik weet heel goed wat onzekerheid is. Dat komt van heel ver. In de oorlog hadden we onderduikers, van Joodse afkomst. De vrouw van het stel, tante Annie, is in die jaren mijn moeder geworden. Zij ging en ik bleef. Bij een vrouw die mijn echte moeder was maar die ik niet als mijn moeder zag. Een jaar of drie na de oorlog logeerde ik in Amsterdam bij die Joodse mensen. Ik wilde bij hen blijven en het vreemde was dat er een soort uitdaging
|
Emma Kraak, oud-raadslid van de Zuid- Hollandse, tot een aantal jaren geleden nog zelfstandige gemeente Ter Aar, oud-wethouder van diezelfde gemeente, oud-statenlid in Zuid-Holland en nu penningmeester van de Onafhankelijke Senaatsfractie (OSF) en voorzitter van het wetenschappelijk bureau van de OSF. In iedere functie lijkt ze haar ziel en zaligheid te leggen. Niettemin, het leven heeft haar op diabolische wijze geleerd te relativeren. Twee dochtertjes had ze, die van hun geboorte af lichamelijk en geestelijk diep gestoord waren en die in 1974 na een gekweld bestaan binnen acht weken beiden overleden. Vijf en zes jaar werden ze, Machteld en Esther. Ze zegt: ‘Een jaar na de dood van Esther en Machteld werd onze zoon Micha geboren, in 1975 dus. Hij vervult een hoofdrol in het leven van mijn man Wim en mij. Zo is het goed. Maar in dat jaar 1974 wist ik dat ik nooit meer onbevangen gelukkig zou zijn en die wetenschap zit voorgoed in me. Je zou denken dat je met zo’n uitgangspunt zoveel zin voor betrekkelijkheid opdoet dat niets anders meer betekenis kan hebben. Ik ben tot enkele conclusies gekomen. Ik kom uit een religieus gezin en ik heb zelf lang gezocht naar redenen waarom er een god zou bestaan. Uiteindelijk heb ik alleen redenen gevonden om te weten dat hij niet bestaat. Als er een almachtige God zou zijn, waarom is het hier dan zo’n klerezooi? In het verlengde van die vraag ligt voor mij een opdracht. Er is geen bovenaardse kracht die de wereld op orde brengt. Dus zullen we dat zélf moeten proberen. Vanuit die gedachte komt mijn overtuiging dat andere mensen niet de dupe hoeven te worden van mijn verdriet. Ik weet wel dat
|