Home Locomotie 38
Weg naar Den Haag vol hobbels en kuilen | Afdrukken |  E-mailadres
Locomotie 38
dinsdag, 29 september 2009 14:47

 

Door André Krouwel

Weg naar Den Haag
vol hobbels en kuilen

De regionale en lokale politieke partijen kúnnen een rol spelen op Haags niveau, maar dat zal niet lukken zonder een forse krachtsinspanning en veel creatief denkwerk, uitmondend in een herkenbaar beeld van wat die nieuwe partij exact voor ogen staat. Zo luidt, samengevat, de slotsom van het onderzoek dat politicoloog André Krouwel deed naar de mogelijkheden die de aan de Onafhankelijke Senaats Fractie verbonden partijen hebben om een rol te spelen op het platform van de landspolitiek. Binnenkort wordt het complete rapport van Krouwel ter hand gesteld van het Wetenschappelijk Bureau en het bestuur van de OSF. Krouwel maakte voor déze uitgave van Locomotie een resumé. krouwel
André Krouwel
foto: Arjan van Westen
Wat maakt regionale en lokale partijen succesvol in verkiezingen? Welke programmatische inhoud hebben regionale en lokalen partijen die de stap naar de nationale politiek met succes hebben gemaakt? Deze vragen staan centraal in dit onderzoek dat dient als (wetenschappelijke) basis voor het besluit van de OSF om al dan niet deel te nemen aan de Tweede Kamerverkiezingen van 2011. Om te zien welke kenmerken succesvolle regionale partijen hebben, analyseerden we meer dan 40 regionale politieke partijen in verschillende Europese landen die minimaal een zetel in het nationale parlement hebben behaald. Om uitspraken te kunnen doen over de kansen van een nieuwe partij, met haar basis in de Nederlandse regionale partijen, hebben we ook gekeken naar landen waar regionale partijen niet zijn doorgedrongen tot het parlement. Welke obstakels moeten worden genomen in de specifieke Nederlandse context? Hieronder een ‘routekaart’ waarin een (inhoudelijke) weg wordt gewezen voor deelname aan de nationale verkiezingen. En om met de deur in huis te vallen: makkelijk wordt het niet. Uit de analyses en gesprekken met enkele sleutelfiguren binnen de OSF en met deskundigen op het terrein van de regionale en lokale politieke partijen bleek dat nog vele hobbels moeten worden genomen. Over de wenselijkheid en haalbaarheid van deelname aan de eerstvolgende Nederlandse parlementsverkiezingen (waarschijnlijk in 2011) bestaat nog veel twijfel bij betrokkenen. Maar het kan wel! Uit een inhoudsanalyse van programma’s van succesvolle regionale partijen en gesprekken met betrokkenen en experts blijkt dat wel degelijk een rudimentair programmatisch

profiel kan worden ontwikkeld dat goed aansluit bij het huidige karakter van de partijen die gezamenlijk de OSF ondersteunen. In het tweede deel van dit verslag wordt een aantal issues geïdentificeerd die als basis kunnen dienen voor een coherente en aansprekende politieke agenda voor de gezamenlijke regionale en lokale partijen. Maar eerst bespreken we het ontstaan en specifieke karakter van regionale partijen.

 

De Italiaanse politicoloog Caramani heeft aangetoond dat nationale democratieën in Europa zijn ontstaan door een ‘nationalisatieproces’ van lokale en regionale politieke partijen in de 19e eeuw. Langzaam verdwijnen de verschillen en het specifieke karakter van regionale politieke krachten in de 19e en 20e eeuw door de vorming van

291373_locomotie_38-1_pagina_13_afbeelding_0001

centrale partijorganisaties waar lokale kandidaten zich bij aansloten om hun kans op herverkiezing te vergroten. Thema’s als regionale ongelijkheid worden in dat proces langzaam vervangen door ideologieën en programma’s met een meer nationale en internationale oriëntatie. Lokale issues en regionale belangenbehartiging worden minder belangrijk door een proces van ‘territoriale homogenisering’ van stemgedrag. De nieuwe nationale partij-
pagina 1 van 8

en treden kiezers in het hele land tegemoet met eenzelfde politieke agenda en kwesties die uitstijgen boven het belang van een specifieke regio. Een beroemde quote van een Italiaans politicus uit die tijd: ‘We hebben Italië gemaakt, nu moeten we nog Italianen maken.’ Deze nationalisering van de politiek leidt in alle Europese landen tot een verschuiving van de macht naar het politieke centrum en een verzwakking van regionale politieke organisaties. Maar niet alle regionale partijen werden volledig opgeslokt in dit proces van nationalisatie van de politiek. Soms blijft een regionale partij zelfs oppermachtig in een regio. Vanuit het nationale perspectief vertegenwoordigen zulke regionale partijen slechts een klein deel van de bevolking, maar vanuit regionaal perspectief kan de partij heel erg groot zijn en zelfs de absolute meerderheid in de regio vertegenwoordigen. Zo heeft de Duitse CSU in Beieren tien keer een absolute meerderheid gehaald bij regionale verkiezingen. Slechts 5 jaar (tussen 1954 en 1959) zat de partij in de oppositie in Beieren en de partij heeft ruim 40 jaar alleen geregeerd in de deelstaat. En de macht van de CSU strekt zich ver uit buiten de deelstaat Beieren. De CSU speelt een belangrijke rol op het nationale niveau door de vorming van een politieke unie met de CDU. Beide partijen hebben afgesproken niet tegen elkaar te concurreren en een gezamenlijke fractie te vormen in de Bondsdag. Hierdoor maakt de CSU ook op het nationale niveau deel uit van een machtige partij, zonder haar positie in de regio te verzwakken. Integendeel de CSU blijft oppermachtig in Beieren. Gevraagd naar het ontbreken van oppositie in ‘zijn eigen Beieren’ sprak partijleider Franz-Josef Strauss ooit de gevleugelde woorden” ‘Wir brauchen keine Opposition. Wir sind schon Demokraten.’ (Wij hebben geen oppositie nodig, we zijn al democraten.) De CSU heeft door haar monsterverbond met de CDU ook een groot deel van de na-oorlogse periode in de nationale regering gezeten en daar belangrijke ministeriële posten kunnen claimen. De leiders van deze partij Franz-Josef Strauss en Edmund Stoiber zijn bekende nationale politici die beiden een gooi naar het Kanselierschap hebben gedaan. De vraag is dus: waarom hebben in sommige landen de regionale partijen het proces van nationalisatie weerstaan en waarom zijn regionale partijen nog steeds succesvol in landen als Spanje, Zwitserland, België, het Verenigd Koninkrijk en Italië, maar veel minder in Nederland? En dat terwijl Nederland wel het meest toegankelijke politieke stelsel van Europa heeft met een zeer lage kiesdrempel. Regionale politieke partijen nemen deel aan verkiezingen in een specifieke regio van een nationale staat, met een partijprogramma en activiteiten die de regionale belangen verdedigen en de regionale identiteit benadrukken. En dat is meteen ook het probleem van regionale partijen. Om de belangen van een regio en haar bewoners goed te kunnen verdedigen moet een politieke partij eigenlijk ook op het nationale niveau aanwezig zijn en druk kunnen uitoefenen op de besluitvorming, of nog beter, zelf deel uitmaken van de nationale regering. In veel landen pogen regionale partijen daarom in het nationale parlement te komen. Machtsvorming op het nationale niveau is natuurlijk niet eenvoudig voor regionale partijen, omdat de electorale basis van dergelijke partijen per definitie sterk geconcentreerd is in een specifieke regio. Om die regionale kracht ook aan te wenden op het nationale niveau moet een strategie worden ontwikkeld die de partij in het nationale parlement brengt. Geen eenvoudige opgave omdat de issues die een regionale partij doorgaans benadrukt afwijken van de onderwerpen die centraal staan in de nationale politiek. Ook zijn de kandidaten van de regionale partij doorgaans niet erg bekend buiten de regio en hebben ze weinig ervaring op het nationale, politieke toneel. Bovendien zullen campagnes met name moeten worden gevoerd in de eigen regio omdat het onwaarschijnlijk is dat de partij een nationale organisatie kan opzetten. Kortom, een regionale partij zal met het eigen politieke personeel, de regionale kwesties en de beperkte middelen die geconcentreerd zijn in de eigen regio, de nationale verkiezingen in moeten. Het onderscheid tussen regionale partijen en nationale partijen moet overigens niet worden overdreven. In Nederland had de KVP buiten het zuiden van het land geen grote aanhang en we kunnen de KVP dus ook zien als een zuidelijke regionale partij.

291373_locomotie_38-1_pagina_11_afbeelding_0001

Een ander voorbeeld: op dit moment hebben de Conservatieven uit Groot Brittannië weinig of geen aanhang in Schotland. Er zijn eigenlijk heel weinig ‘nationale’ partijen die een landelijke dekking hebben en evenveel aanhang en actieve leden in alle delen van het land. De meeste partijen hebben geografische zwaartepunten in hun aanhang. Zo is het CDA in de grote steden veel zwakker dan in de middelgrote steden en het platteland, heeft de ChristenUnie vooral aanhang op de Nederlandse ‘biblebelt’ (die loopt van Zeeland, over de Utrechtse Heuvelrug en langs het IJsselmeer) en leunt de PvdA zeer sterk op

pagina 2 van 8


kiezers in de grote steden. Nationale politieke partijen hebben zelden of nooit een ‘landelijke’ dekking. De SP wordt in Nederland als een nationale partij gezien, maar de SP heeft lang niet in alle gemeenten een afdeling en doet ook niet in heel Nederland mee aan de gemeenteraadsverkiezingen. Geen enkele Nederlandse nationale partij heeft echt ‘landelijke dekking’ voor zover wij hebben kunnen nagaan. ‘Nationale’ partijen bestaan eigenlijk uit de samensmelting van lokale afdelingen met vaak grote verschillen. Sterker, veel partijen die wij nu als ‘nationale’ politieke partijen karakteriseren zijn ontstaan uit de samenvoeging van verschillende regionale politieke groeperingen die zich verenigen in een ‘landelijke’ organisatie. Daardoor bestaan er ook ideologische en programmatische verschillen tussen afdelingen van dezelfde partij. De VVD afdeling in Amsterdam heeft een heel eigen ideologisch karakter en verschilt inhoudelijk aanzienlijk van de VVD afdeling in Wassenaar, de VVD in Hoogeveen of de VVD in Sittard-Geleen. Veel politieke partijen hebben ‘vleugels’ of ‘facties’ die regelmatig stevig met elkaar van mening verschillen over de richting van de politieke koers. Politieke partijen verschillen dus in hun ‘dekkingsgraad’ en zijn lang niet altijd coherent in hun programmatische oriëntatie. Bij alle partijen varieert deze dekkingsgraad en inhoudelijke oriëntatie van regionaal tot nationaal. In de wetenschappelijke literatuur wordt daarom onderscheid gemaakt tussen landelijke partijen, regio-overstijgende partijen en (etnisch) regionale partijen. Landelijke partijen verkrijgen stemmen uit het hele land of in ieder geval in een meerderheid van de regio’s, terwijl de ander partijen hun steun verkrijgen in een aantal regio’s, maar zij hebben geen landelijke dekking. Per definitie ligt de electorale basis van (etnisch)regionale partijen in één of slechts een zeer beperkt aantal regio’s. Landelijke en regio-overstijgende partijen benadrukken een nationale politieke agenda, terwijl (etnisch)regionale partijen vooral programmatisch georiënteerd zijn op de regio. Regionale partijen vragen meestal om meer decentralisatie van bestuur, om meer autonomie voor de regio of zelfs afscheiding van de nationale staat. De vraag of een partij een sterke nationale of regionale oriëntatie moet hebben, hangt af van de identiteit van de bewoners in een regio. Wanneer een regionale partij duidelijk een etnische minderheid vertegenwoordigt met een sterke regionale identiteit, dan loont het om de politieke agenda te richten op de eis van meer zelfbestuur op basis van het argument van zelfbeschikking. Bij de afwezigheid van een duidelijke etnische minderheid of als een partij kiezers trekt uit meerdere regio’s dan moet de politieke agenda evenwichtiger zijn. Partijen doen er dan verstandig aan om, naast een eis voor regionale cultuurpolitiek en meer lokale zeggenschap, ook economische en sociale onderwerpen op te nemen, zoals regionale economische ongelijkheid. Een dergelijke gemengde politieke agenda treffen we aan bij Lega Nord in Italië. Deze partij heeft aanhang in meerdere noordelijke, Italiaanse regio’s, maar kan moeilijk een etnische of historisch claim gebruiken voor de vraag naar meer zelfbestuur

Lega Nord poogt weliswaar Padania – een onduidelijke te definiëren deel van Noord Italië – als historische staat te portretteren, maar deze historische claim is zwak en men kiest er dus vooral voor om de eis voor meer zelfbestuur en belastingheffing te rechtvaardigen door te wijzen op hun status als netto-betaler ten aanzien van de zuidelijke Italiaanse regio’s die dat geld maar verspillen.

 

Sommige nationale staten bestaan uit meerdere etnische minderheden die vertegenwoordigd worden door verschillende regionale partijen. Een claim voor meer zelfbestuur van deze partijen leidt dan bijna onvermijdelijke tot een federale staat. Een dergelijk proces is gaande in België, dat drie taalgemeenschappen telt en een hoofdstad waarin het Vlaams en Frans vertegenwoordigd zijn. Doordat de taalgrenzen redelijk af te bakenen zijn (behalve in en rond Brussel) heeft dit geleid tot een federalisering van de staat onder druk van zowel Vlaamse, Franse als Duitstalige regionale partijen, zij het in verschillende mate. Het bijzondere aan België is dat de opkomst van etnisch-regionale partijen, vooral in Vlaanderen, ook heeft geleid tot het uiteenvallen van de nationale partijen in een Waalse en Vlaamse nazaat. De meeste van deze ‘gefederaliseerde’ nationale partijen hebben vervolgens in de regio een andere naam aangenomen die verwijst naar de regionale identiteit. Het meest saillante voorbeeld is de CD&V (Christen Democratisch en Vlaams) die niet alleen de referentie aan Vlaanderen in haar naam heeft opgenomen, maar tevens een partijkartel vormt met een regionalistisch partij (N-VA, de Nieuw Vlaamse Alliantie). Er zijn ook regionale partijen die decentralisatie voor de regio bepleiten omdat een dringend probleem moet worden opgelost en de landelijke overheid daarin faalt. Een voorbeeld van een dergelijke regionale partij die zich voornamelijk richt op een zeer lokaal probleem zijn de ‘ziekenhuispartijen’ in Zweden (Sjukvårdspartiet of SVP). Deze regionale zieken-

pagina 3 van 8

 

291373_locomotie_38-1_pagina_13_afbeelding_0001

markt, verdwijnen typische lokale producten en daardoor vervlakt de regionale (voedsel)cultuur. Regionale partijen moeten zich hard maken voor het behoud van regionale en lokale culturele en sportvoorzieningen, zoals de plaatselijke voetbalvereniging, kleine theaters, muziekpodia en het verenigingsleven. Ook op het gebied van de veiligheid – het belangrijkste, politieke issue voor veel burgers – is kleinschaligheid cruciaal.

huispartijen hebben zich verenigd in een federatie van regionale ziekenhuispartijen die strijden voor behoud van het ziekenhuis in hun regio. Deze partijen bevinden zich voornamelijk in de noordelijke en armere regio’s van Zweden. Er zijn dus verschillende typen regionale partijen. Overeenkomsten zijn er intussen ook. Alle regionale partijen in Europa eisen in meer of mindere mate een vorm van zelfbestuur voor hun regio, van meer zeggenschap op het gebied van taal en cultuur tot afscheiding van het moederland. Deze eis moet echter altijd worden gekoppeld aan een inhoudelijke agenda. Op basis van een literatuurstudie van partijprogramma’s van regionale partijen en gesprekken met sleutelfiguren binnen de OSF schetsen we hieronder een aanzet tot een dergelijke inhoudelijke agenda in de Nederlandse politieke context.

 

Aan de eis tot zelfbestuur kan een duidelijke en coherente invulling worden gegeven door de nadruk te leggen op de ‘politiek van de

Regionale partijen moeten zich verzetten tegen de centrale overheid die gemeenten steeds groter maakt door samenvoegingen en herindelingen, die ziekenhuizen laat fuseren tot megazorginstellingen en lokale scholen omvormt tot grote schoolgemeenschappen. Die enorme schaalvergroting betekent een kaalslag voor lokale voorzieningen. De eis voor decentralisatie of autonomie kan inhoud krijgen door een krachtig pleidooi voor kleinschaligheid van voorzieningen. Regionale en lokale partijen moeten zich met hand en tand verzetten tegen fusies van woningbouwverenigingen, bejaardenhuizen en de mantelzorg. Regionale partijen moeten voorkomen dat nog meer postkantoren, banken, winkels, huisartsen, bibliotheken, en scholen verdwijnen uit de dorpen en steden. Zij moeten in verzet komen tegen het verdwijnen van (fijnmazig) openbaar vervoer in de kleinere woonkernen, waardoor ouderen en jongeren minder mobiel worden. De kleinschaligheid is ook cruciaal in de commerciële sector: lokale bedrijven moeten zich kunnen weren tegen de concurrentiekracht van

Kleinere gemeenschappen, waar mensen elkaar kennen en waar de sociale controle groter is, zijn veiliger en leefbaarder dan grote steden met bewoners die elkaar niet kennen of groeten.
Kortom, regionale politieke partijen moeten een brede agenda neerzetten die goed aansluit bij de persoonlijke leefwereld van burgers en waarin het behoud van lokale voorzieningen en cultuur centraal staat. Natuurlijk roepen regionale partijen dat al, maar het moet coherenter en meer visionair. De koppeling van een brede inhoudelijke politieke agenda van ‘de menselijke maat’ aan de eis zelfbestuur is een duidelijke politieke scheidslijn waarmee regionale partijen zich kunnen onderscheiden van de landelijke partijen. Maar deze scheidslijn is nu onzichtbaar en moet politiek relevant gemaakt worden. Op deze scheidslijn staat kleinschaligheid tegenover schaalvergroting, decentralisatie tegenover centralisatie, de menselijke maat tegenover (economische) schaalvoordelen en kwaliteit tegenover effecti

kleinschaligheid en de menselijke maat’. Uit zowel de gesprekken met sleutelfiguren als de analyse van verkiezingsprogramma’s van succesvolle regionale partijen blijkt dat kleinschaligheid goed aansluit bij de bestaande agenda’s van regionale partijen en op vele beleidsterreinen inhoudelijk kan worden ingevuld. Door deze kleinschaligheid af te zetten tegenover de centralisatie en schaalvergroting door de centrale overheid kan
291373_locomotie_38-1_img_9
duidelijk worden gemaakt dat het hier een belangrijke politieke scheidslijn betreft. Regionale en lokale partijen moeten deze regio versus centrum scheidslijn politiseren! grote ondernemingen en winkelketens. Met landelijke distributiesystemen en internationale producten dringen de grote winkelketens de kleine winkels uit de De kleinschaligheid waar regionale partijen naar streven moet scherp worden afgezet tegen de neiging tot schaalver

pagina 4 van 8

groting van de traditionele landelijke partijen. Regionale partijen moeten pleiten voor decentralisatie van taken en bevoegdheden door meer zelfbestuur te eisen. Deze regionalisatie maakt een directer contact met de burger mogelijk, waarbij de specifieke belangen en wensen per regio duidelijk kunnen verschillen. De homogenisering die wordt veroorzaakt door centralisatie moet worden bestreden met het argument dat regio’s sterk verschillen in cultuur en identiteit, sociale en economische structuur en in het normen en waardepatroon. Regionale partijen moeten eisen dat meer zaken op regionaal niveau kunnen worden besloten en uitgevoerd, zodat de politiek dichter bij de burger staat en voorzieningen op maat kunnen worden geleverd. hebben saamhorigheidsgevoel en oog voor persoonlijke omstandigheden van collega’s. In een klein bedrijf telt elke werknemer nu eenmaal meer dan in een groot bedrijf waar iedereen vervangbaar en misbaar is. Er is in kleine ondernemingen minder specialisatie, waardoor werknemers doorgaans ‘generalistisch’ zijn zodat bij ziekte of afwezigheid collega’s elkaar makkelijker kunnen vervangen. Kleine bedrijven kunnen zich makkelijker inpassen in de fysieke en economische structuren van een gemeenschap, het landschap en het dorpsaanzicht blijft behouden. Binnen kleinschalige bedrijvigheid heeft de bedrijfsleiding eenvoudiger overzicht zonder bureaucratische controlesysteem, zijn werknemers meer betrokken en tonen meer inzet en loyaliteit. Onderzoek van het CBS laat dan ook management in grote bedrijven is vaak bang om risico’s te nemen en apen liever na dan dat ze vernieuwen. Kleine bedrijven staan juist vaak open om te innoveren en informatie kan eenvoudiger worden verspreid. Daarom is het midden- en kleinbedrijf goed voor bijna de helft van het bruto nationaal product en blijkt het veel minder gevoelig voor economische schommelingen. Maar terwijl het CBS laat zien dat kleinschaligheid beter is, adviseert de SER in haar rapport “Kansen voor het platteland’ verdere schaalvergroting van de landbouw als oplossing voor de problemen. Juist diversificatie van economische activiteit is de oplossingsrichting, niet de eenzijdige focus op grootschalige agro-business. Dat levert het platteland veel te weinig op, want het Ministerie van Landbouw,
Er zijn verschillende beleidsterreinen waar dit aspect van kleinschaligheid/menselijke maat gekoppeld kan worden aan een inhoudelijke en electoraal aantrekkelijke agenda: 1. Economische kleinschaligheid. In 1972 schreef de econoom Ernst Schumacher het boek ‘Small is Beautiful’ met als ondertitel ‘a study of economics as if people mattered’. Hij analyseerde

291373_locomotie_38-1_img_10

kleinschalige economische productie en beschreef de voordelen van kleinschaligheid. Het belangrijkste voordeel is dat allerlei kosten worden vermeden die bij grootschaligheid ontstaan, zoals milieuschade en ‘horizonvervuiling’ door grote kantoorkolossen of fabrieksgebouwen. Deze kosten worden zelden in de prijs meegenomen door grote bedrijven. Deze leiden ook vaak aan personele vervetting, verliezen het zicht op de eigen doelstelling en de omgeving, worden bureaucratisch, onpersoonlijk en star. Schumacher laat zien dat kleinschalige productie vele voordelen heeft: kleine bedrijven kunnen flexibeler inspelen op de markt en maatwerk leveren. Werknemers van kleine bedrijven hebben veel meer gevoel voor het product dat zij maken. Ook kennen werknemers binnen kleine bedrijven elkaar vaak goed zien dat in kleine bedrijven het ziekteverzuim aanzienlijk lager is dan in grote bedrijven en dat werknemers gelukkiger zijn als ze in een klein bedrijf werken. Kleine bedrijven zijn – in tegenstelling tot wat vaak wordt vermoed – meer innovatief dan grote bedrijven. Onderzoek van Ernst en Young heeft aangetoond dat grote bedrijven vaak geen goed evenwicht weten te vinden tussen financiële discipline en creativiteit. Kleinere bedrijven hebben een plattere organisatie en minder hiërarchie, waardoor het management meer open staat voor nieuwe ideeën en informatie sneller van de werkvloer naar de bedrijfsleiding vloeit. Grote bedrijven zijn vaker gericht op korte termijnwinst en bij slechte bedrijfsresultaten wordt de ‘Research and Development’ als eerste de nek omgedraaid. Het management Visserij en Natuur heeft aangetoond dat de toegevoegde waarde (verwerking, verpakking en marketing) en de werkgelegenheid van het agrocluster vooral in en rond de grote steden is geconcentreerd en niet op het platteland. Natuurlijk moeten regionale partijen zich sterk maken voor het behoud van de plaatselijke bakker, slager, bierbrouwer, meubelmaker, machinefabrikant, makelaar of buurtwinkel. Die zijn immers beter voor klanten, werknemers en de fysieke en natuurlijke omgeving. Maar er moet ook een meer specifiek economisch beleid worden ontwikkeld voor de totstandkoming en behoud van kleinschalige bedrijvigheid. Want die zijn belangrijk voor innovatieve economische ontwikkeling en de werkgelegenheid

pagina 5 van 8

 

Kleine bedrijven zijn vaak kwetsbaar door een te smalle kapitaalbasis, weinig productdifferentiatie en door minder spreiding in markten. Regionale partijen moeten beleidsinstrumenten ontwikkelen voor intelligente kapitaalverstrekking aan startende ondernemingen, deze koppelingen aan wetenschap en onderzoek en zorgen voor bedrijfsruimten en bedrijfsterreinen waar de drempels laag zijn geweldsen vermogensdelicten) en de subjectieve veiligheid (gevoel van ernstige overlast, fysieke verloedering en het onveiligheidsgevoel) is hoger in grote gemeenten dan in kleinere steden en dorpen. Wel was er de afgelopen jaren sprake van een lichte stijging van het totale aantal geweldsdelicten binnen de kleinste gemeenten (0-20.000 inwoners) en grote steden, terwijl het geweld juist afneemt in mid meer afhankelijk wordt van publieke voorzieningen verdwijnen het openbaar vervoer en de sociale en medische zorg. Ook zijn er voor starters op de woningmarkt vaak moeilijk woningen te vinden. Net als in Frankrijk moeten regionale partijen een coherent beleid ontwikkelen om (jonge) gezinnen weer terug te lokken naar de dorpen. In Frankrijk krijgen jonge gezinnen met kinderen financiële
om een bedrijf te starten. De toegevoegde waarde moet naar het platteland worden gehaald, niet naar de stad worden gebracht! Tax free zones voor de eerste drie jaar zijn in andere landen een effectief middel gebleken om nieuwe bedrijven naar een regio te halen en lokale ondernemers een duwtje in de rug te geven bij het starten van een onderneming.. Ook het overdragen van bedrijven aan 291373_locomotie_38-1_img_8
een familielid moet eenvoudiger en goedkoper worden, zeker in het licht van de toenemende vergrijzing van huidige aandeelhouders/ eigenaren. De verwachting is dat veel bedrijven tijdens de overdracht zullen sneuvelen door de gecompliceerde regelgeving en financiële consequenties. Regionale partijen moeten zich richten op het behoud van familiebedrijven door deze problematiek aan te pakken. De werkgelegenheid moet worden behouden in de kleine dorpen en steden en op het platteland. Schumacher toonde in zijn boek ‘Small is beautiful’ al aan dat kleinschalige productie ook duurzamer is en beter kan worden ingepast in de natuurlijke omgeving. Door de kleinschaligheid blijft veel van het landschap behouden. Kleinschaligheid is dus belangrijk voor een duurzame ontwikkeling van de regio en de leefbaarheid van de dorpskernen. 2. Wonen, leefbaarheid en bereikbaarheid. Kleine woonkernen hebben nog steeds aantrekkingskracht omdat zij doorgaans een veilige woonomgeving vormen met een hoge kwaliteit. Door de sterkere onderlinge banden tussen bewoners en de grotere sociale controle is er minder criminaliteit en geweld. Zowel de objectieve veiligheid (aantal geweldsen middelgrote gemeenten. Maar de kleinere woongemeenschappen blijven de meest veilige van Nederland. Regionale partijen moeten er alles aan doen dat niet alle middelen voor criminaliteitsbestrijding en leefbaarheid naar de grote steden gaat, maar dat ook de plattelandsproblematiek op de agenda blijft. Zo is het drugsen alcoholgebruik van jongeren op het platteland hoog, en bleek uit onderzoek van het UMC in Groningen dat er geen verschil bestaat in gedragsproblemen tussen jongeren in de Randstad en de noordelijke provincies. Of het nu op het platteland is of in de stad, jongeren in armere buurten stoken vaker brandjes, stelen frequenter en zijn meer gewelddadig dan jongeren in meer welvarende buurten. Regionale partijen moeten zich dus sterk maken voor criminaliteitsbestrijding in de kleinere gemeenschappen en aan de landelijke politiek duidelijk maken dat zij dezelfde problematiek hebben als in de grote steden. Meer dan de grote stad voelen plattelandsdorpen en kleine steden de problemen van vergrijzing, bevolkingskrimp en het verlies van voorzieningen en werkgelegenheid. Er ontstaan zogenoemde woondorpen, zonder voorzieningen als scholen, winkels, banken en supermarkten. En terwijl de bevolking vergrijst en ondersteuning bij het kopen van een huis en worden kinderopvang en scholen teruggeplaatst in de kleinere woongemeenschappen om het platteland bewoonbaar te houden. Vaak betreft dit een multifunctioneel gebouw waarin verschillende voorzieningen zijn ondergebracht als scholen, winkels, bibliotheken, verenigingen en huisartsenposten. Regionale partijen moeten deze ‘reanimatie’ vormgeven als nieuw ‘dorpscentrum’, een multifunctionele locatie/gebouw waarin alle voorzieningen worden samengebracht: zowel publieke gemeentelijke diensten, politie en brandweer, semi-publieke organisaties (woningbouwvereniging en medische voorzieningen) als commerciële ondernemingen (buurtwinkels en lokale bank). Zo komen alle voorzieningen terug in de kleine dorpen en steden. Regionale en lokale partijen moeten ook vechten voor het behoud van openbaar vervoer. De schaalvergroting in het openbaar vervoer leidt tot het opheffen van ‘niet rendabele’ lijnen en haltes. Openbaar vervoer werkt alleen als het een fijnmazige en frequente dienstverlening en een veilige rit biedt. Niet alleen economische kosten moeten een rol spelen in het besluit welke lijnen blijven bestaan en worden opgeheven. Ook de sociale kosten moeten worden meegewogen.

pagina 6 van 8


Regionale partijen zullen zich moeten verzetten tegen te verregaande deregulering, privatisering en afstoting van overheidstaken, omdat in langzaam stervende woongemeenschappen een krachtig overheidsoptreden en veel publieke investeringen nodig zijn. 3. Onderwijs en zorg. Er zijn grote regionale verschillen in demografische ontwikkeling. Zo daalt het kindertal in Limburg en Brabant sneller dan elders. En terwijl er een tekort aan leraren is in de Randstad hebben sommige provincies te maken met een overschot aan leraren en leegstand van schoolgebouwen. In veel regio’s zal de afstand tussen voordeur en schooldeur snel toenemen als niet snel wordt ingegrepen. Het verdwijnen van scholen zal de leegloop en vergrijzing van bepaalde gebieden nog verder versterken, omdat jonge gezinnen dan wegtrekken. Er is grote druk tot schaalvergroting in het onderwijs, het samenvoegen van scholen tot grote schoolgemeenschappen. Ook hier moet een pleidooi voor kleinschaligheid centraal staan. Regionale partijen moeten de lokale onderwijsvoorzieningen beschermen. Onderzoek heeft aangetoond dat het persoonlijke contact met leerlingen en de extra aandacht die kan worden gegeven tot betere schoolresultaten leidt. Er is op kleine scholen een grotere betrokkenheid van docenten met hun leerlingen waardoor veel problemen eerder worden gesignaleerd of worden voorkomen. Ook die kostenbesparing en kwaliteit moet worden meegenomen in de beoordeling of een school mag blijven voortbestaan. Nu is de financiering te veel afhankelijk van het leerlingaantal, niet van de kwaliteit
leerlingen niet ver hoeven te reizen naar school. Kleine scholen en kleinere klassen kosten meer geld, maar het is zeer twijfelachtig of die kosten hoger zijn dan de enorme bedragen die zijn uitgegeven aan de ontwikkeling van basisvorming, het VMBO, de Tweede Fase en het studiehuis. Schaalverkleining in het onderwijs zou veel problemen kunnen voorkomen en de kosten op lange termijn zelfs kunnen drukken. Zowel de kwaliteit van het onderwijs als de arbeidsvreugde van de docenten verbetert als het onderwijsbeleid koerst op kleinschaligheid. De econoom Arnold Heertje heeft een krachtig pleidooi gehouden voor het opnieuw verzelfstandigen van scholen die tot een scholengemeenschap behoren. In het onderwijs zijn de verhoudingen tussen het management en de leraren volledig zoek. Managers maken de dienst uit en niet ouders, leraren en leerlingen. Uit overweging van kostenbesparingen en bezuinigingen, zegt Heertje, zijn door fusies en concentraties lesfabrieken ontstaan met massale aantallen studenten. Maar de kosten van deze schaalvergroting worden niet in kaart gebracht. Heertje wijst op de afgenomen arbeidsvreugde van docenten die steeds sneller ziek of arbeidsongeschikt worden, zich steeds minder inzetten en niet langer als rolmodel fungeren voor leerlingen. Door het afnemen van sociale controle neemt de kans op geweld toe op scholen. Er zijn al verschillende schiet- en steekpartijen voorgekomen. De betrokkenheid bij de school van de mensen op de werkvloer vermindert. Het heeft toch geen zin innovatie en verandering te bepleiten omdat ‘professionele managers’ niet luisteren naar de werkvloer. Het aantal
afgegeven diploma’s wordt richtinggevend, niet de kwaliteit van het onderwijs en de prestaties van leerlingen. De eisen aan leerlingen worden eenvoudig naar beneden bijgesteld om doelstellingen te halen. Uit onderzoek blijkt dat de kwaliteit van het onderwijs en het welbevinden van leerlingen en leraren niet altijd achteruitgaat bij schaalvergroting, maar de ‘echte kosten’ blijven vaak verborgen. Kleinschalig onderwijs lijkt duurder, maar het extra ‘menselijk kapitaal’ dat wordt opgebouwd met meer persoonlijke aandacht en begeleiding is vele malen de investering waard. Ook in de gezondheidszorg, van ziekenhuizen tot zorginstellingen voor ouderen, neemt de schaalvergroting snel toe. Er zijn niet alleenl lesfabrieken ontstaan maar ook ‘zorgfabrieken’. Natuurlijk zijn grote organisaties soms nodig omdat behandelingen met dure apparaten en gespecialiseerde zorg anders niet kunnen worden aangeboden, maar dat betekent niet dat alle zorginstellingen groot moeten zijn. Margo Trappenburg heeft laten zien dat zorginstellingen in Nederland al groter zijn dan elders in Europa, dus een stapje terug kan makkelijk. Binnen de zorg gelden simpelweg dezelfde argumenten als in het onderwijs. Ook hier heeft vergelijkend onderzoek aangetoond aan dat kleinschalige voorzieningen in veel opzichten beter scoren dan grootschalige verpleeginstellingen. De centrale overheid – met name minister Klink – wil door het stimuleren van marktwerking de doelmatigheid vergroten. Maar juist door zo eenduidig op de puur monetaire kosten en besparingen te letten worden veel sociale kosten niet 
van het gegeven onderwijs en de sociale kosten van het verdwijnen van een school. Regionale partijen moeten er voor gaan zorgen dat andere criteria worden meegenomen in de besluitvorming over het onderwijsaanbod. Ook hoeft een grote onderwijsorganisatie niet perse al het onderwijs in een gebouw aan te bieden. Men kan ook met kleinere locaties werken zodat leerlingen 291373_locomotie_38-1_img_6

pagina 7 van 8

 

meegewogen. Al vanaf de jaren ‘70 wordt de grootschaligheid in de zorg ter discussie gesteld, juist om de enorme verborgen negatieve effecten. Uit onderzoek blijkt dat een vertrouwde omgeving met een meer huiselijke sfeer waar mensen zich goed voelen, leidt tot een sneller genezingsproces en tot minder fysieke en geestelijke kwalen bij ouderen. Daarom moeten regionale partijen zich sterk maken voor kleine, lokale ziekenhuizen en verpleeghuizen. De menselijke maat moet leidend worden in de zorg, en het persoonlijke karakter van de zorg moet centraal staan. En het is allemaal uiteindelijk niet duurder als alle kosten, ook de verborgen sociale kosten, worden meegewogen. 4. Cultuur en verenigingsleven. Robert Putnam heeft overtuigend aangetoond dat het verenigingsleven – het maatschappelijk middenveld – cruciaal is voor een samenleving. Het is waar mensen leren samenwerken, gezamenlijk doelen bereiken, zich inzetten voor de samenleving, democratisch burgerschap ontwikkelen en simpelweg veel dingen (van elkaar) leren. En het verenigingsleven heeft niet alleen een belangrijke sociale functie voor de samenleving als geheel en voor de democratische ontwikkeling. De socioloog Stijn Ruiter toonde ook aan dat mensen die lid zijn van een vereniging, van een sportclub, het zangkoor, de ouderenraad of een milieugroepring, ook beter betaalde banen met een hogere sociale status krijgen dan mensen die geen lid zijn van zo’n organisatie en voor het overige dezelfde achtergrond hebben. Al die organisaties van de civiele samenleving geven ook smaak en kraak aan ons bestaan. Zang- en theaterverenigingen, muziekkapellen en drumbands, bands, filmmakers, schrijvers, dichters, architecten en beeldende kunstenaars zijn belangrijk voor de cultuuroverdracht op jongere generaties. Regionale partijen moeten zich dus inzetten om lokale podia open te houden en kleinschalige en laagdrempelige cultuurvoorzieningen tot stand te brengen. Van carnavalsverenigingen tot sportclubs, overal waar vrijwilligers zich inzetten wordt de sociale cohesie bevordert en wordt de leefbaarheid van wijk, dorp of stad vergroot. Natuurlijk moet men de ogen niet sluiten voor ‘negatief sociaal kapitaal‘ (niet iedereen vormt groepsverbanden om goede dingen te doen, denk maar aan hooligans) en voor geweld en discriminatie binnen de sport, maar in de meeste gevallen leidt een bloeiend verenigingsleven tot een grote betrokkenheid van burgers bij hun gemeenschap. Regionale partijen moeten deze broedmachines van sociaal kapitaal koesteren en stimuleren. Zeker omdat het verenigingsleven vaak een lange traditie heeft en een ‘coleur locale’ leveren zij een grote bijdrage aan het behoud van het specifieke karakter van een regio of stad. Regionale partijen moeten zich richten op de bescherming van regionale tradities, instituties, feestdagen en cultuuruitingen. Cultuurprotectionisme, regionale identiteit en kleinschaligheid zijn prima te rijmen. Bovenal moeten regionale partijen zich verdiepen in de argumenten van de tegenstanders aan de andere kant van de scheidslijn. Politieke partijen die schaalvergroting voorstaan benadrukken steeds opnieuw de voordelen van schaalvergroting: grote, gecentraliseerde instellingen zorgen voor concurrentievoordelen en zullen de prijs doen dalen, maken professionalisering mogelijk en hebben onafhankelijker kwaliteitscontroles en verantwoordingsmechanismen. Deze voordelen zijn soms inderdaad aanwezig, maar de advocaten van schaalvergroting benadrukken natuurlijk zelden de onpersoonlijkheid van de voorzieningen en
klantbenadering, de enorme overhead en bureaucratie die ontstaat bij grote instellingen, het grote verloop in personeel waardoor niemand meer loyaliteit heeft aan de organisatie en de oppervlakkige en abstracte verantwoording van activiteiten. Schaalvergroting leidt onherroepelijk tot grote bureaucratieën met hiërarchische structuren en enorme transactiekosten door de vele tussenlagen van managers, planners en controleurs. Grote organisaties hebben veel informatieverlies of enorme kosten om informatie op de juiste plek te krijgen, en ook is er vaak sprake van informatievertekening. Al snel verdwijnen schaalvoordelen door de enorme kosten van coördinatie. Bij constante schaalvergroting dreigt ook het gevaar van monopolievorming waardoor alle kostenvoordelen van schaalvergroting totaal verdwijnen. De flexibiliteit van grote organisaties is gering, klantgerichtheid doorgaans laag omdat men overgaat tot standaardisering en automatisering, waardoor personeelsleden minder toegankelijk worden. Iedereen kent het helpdesk probleem waar je vaak geen levende persoon meer aan de lijn krijgt, maar uitsluitend een telefonisch keuzemenu waar je probleem gewoon niet in past. De menselijke maat is volkomen zoek geraakt. Die menselijke maat moet terug in de economie, zorg, het onderwijs en de bestuurlijke verhoudingen. Die politieke agenda moeten regionale partijen verder ontwikkelen en concrete beleidsinitiatieven nemen. Regionale partijen moeten eisen dat zij zelf meer bevoegdheden krijgen om dit politieke project uit te voeren.
291373_locomotie_38-1_img_7

pagina 8 van 8

Laatst aangepast op woensdag, 30 september 2009 14:27