Home Locomotie 38
Nieuwe partijen zelden blijvertjes | Afdrukken |  E-mailadres
Locomotie 38
woensdag, 30 september 2009 12:26

Door Arjan van Westen

Nieuwe partijen

zelden blijvertjes

 

Nu de Onafhankelijke Senaats Fractie in het voorjaar op het congres in Kamperland heeft besloten uit te zoeken of de partij kan meedoen aan Tweede Kamerverkiezingen, is er een gegronde reden om in historisch perspectief de opkomst van andere politieke partijen te belichten. Het woord ‘ondergang’ is daaraan onvermijdelijk gekoppeld; er zijn in een kleine honderd jaar parlementaire geschiedenis haast ontelbare partijen geweest die tevergeefs probeerden zich in de Tweede Kamer te vestigen. De partijen die blijvend op het Haagse pluche neerstreken, zijn op één hand te tellen. Wijs geworden door eigen ervaring waarschuwt voormalig DS’70 fractievoorzitter Ruud Nijhof voor optimisme bij nieuw op te richten partijen. Ondanks de opkomst van de PVV en de huidige sterke positie van D66 zijn het de oude ideologische partijen die al decennia lang de politiek in Den Haag bepalen. ‘Partijen als het CDA en de PvdA gaan nog jaren mee. Hun leden zitten in alle lagen van het bestuur.’

kwamen door onderlinge vetes vanaf de jaren negentig in verschillende fracties in de Tweede Kamer terecht. Zo kunnen we ook hier doorgaan, want de lijst met partijen die na een periode in de kamer weer van het politieke toneel verdwijnen, is eveneens lang. Of dit lot ook de opmerkelijkste nieuwkomer van de laatste tijd, de Partij voor de Dieren, treft, is uiteraard koffiedikkijken. Het lijkt niet erg realistisch dat de PVDD plots uitgroeit tot een partij met tientallen zetels. Fusiepartij GroenLinks en de SP zijn wat betreft de nieuwkomers zonder kabinetservaring (Hoewel GroenLinks met daarin opgenomen de PPR niet helemaal tot deze categorie hoort) de enige blijvertjes in Den Haag gebleken. Volgens Koen Vossen, universitair docent Nederlandse politiek bij het Instituut Politieke Wetenschap van de Universiteit Leiden, komt dat zeker bij de SP door de zorgvuldig opgebouwde partijorganisatie en door de duidelijke boodschap die jarenlang herhaald wordt. ‘De SP heeft voortdurend gezegd: wij zijn de nieuwe PvdA.’ GroenLinks heeft volgens Vossen een andere specifieke sociologische doelgroep die wordt bediend met thema’s als milieu, vrouwen- en homorecht. ‘Ze hebben als enige partij het postmateriële progressieve levensgevoel.’

 

Als het gaat om nieuwe partijen die ook in het kabinet terechtkomen, valt naast namen als D66 en DS’70 onvermijdelijk die van de in februari 2002 uit Leefbaar Nederland voortgekomen Lijst Pim Fortuyn. Na de moord op Fortuyn haalde de partij bij de verkiezingen twee maanden later 26 zetels en kwam in het kabinet-Balkenende I terecht. Na de val van dit kabinet verdween de LPF door ruzie in de fractie en de partij ook weer razendsnel. De LPF verzorgde onbedoeld een prima leerschool voor iedereen die met de gedachten rondliep ooit een politieke partij te beginnen. Dagelijks was te volgen hoe een partij zonder goede organisatie en ondubbelzinnig gedachtegoed kansloos is. De televisie liet, tot op het genante af, zien hoe de destijds

Een kleine greep uit de bomvolle archiefdoos waarop staat ‘nieuwe politieke partijen.’ Bij de vorige verkiezingen kon de kiezer stemmen op de Partij voor Nederland van oud-LPF minister Hilbrand Nawijn. In de jaren negentig was er de autopartij Nederland Mobiel en de van de spitsvondige affiches bekend geworden actiegroep Loesje was één van de vele nieuwe partijen die in de jaren tachtig in de Tweede Kamer probeerden te komen. In 1963 was er speciaal voor ‘belastingslachtoffers’ Partij voor Economisch Appèl. Middenstanders probeerden het in de jaren vijftig met de Middenstandspartij. Net na de oorlog was er de op het gedachtengoed van de Amerikaanse utopist Edward Bellamy gebaseerde Nederlandse Bellamy Partij waarop de Nederlanders konden stemmen. Ook voor de oorlog probeerden nieuwe partijen in de Tweede Kamer te komen. De Actie Bouwman kwam in het tweede deel van de jaren dertig op voor de door de economische crisis getroffen kleine

boeren uit het land van Maas en Waal. Een decennium eerder baarde het anarchistische de Anti Stemdwang Partij enig opzien. En in 1919 kon er in de kieskringen Amsterdam en Arnhem onder meer gestemd worden op de Amsterdamse Politie en Brandweerpartij. Nogmaals, dit is slechts een selectie maar duidelijk wordt dat het oprichten van een nieuwe partij en meedoen aan de verkiezingen geen garantie voor succes is. Van Nawijn tot de Amsterdamse spuitgasten: al deze nieuwkomers haalden de Tweede Kamer niet. Nul zetels dus.

Een tweede categorie nieuwe partijen is succesvoller en slaagt erin om in de Tweede Kamer te komen. Een paar voorbeelden van partijen die nog redelijk vers in het geheugen liggen: Hendrik Koekkoeks Boerenpartij hield het in Den Haag vanaf de jaren zestig vol tot aan begin jaren tachtig. Ongetwijfeld zal een deel van Koekkoeks electoraat in die jaren onderdak hebben gevonden bij Hans Janmaats Centrumpartij. Ouderenpartijen

pagina 1 van 3

 

tweede partij van het land ruziënd ten onder ging. De LPF geldt sindsdien als schoolvoorbeeld van hoe het niet moet. Fusiepartijen CDA en ChristenUnie negerend is D66 van de nieuwkomers met kabinetservaring, de enige partij die zich weet te handhaven in Den Haag. De Leidse politiek historicus heeft daar verklaringen voor. ‘D66 heeft zich eigenlijk het gedachtegoed van de vooroorlogse Vrijzinnig Democratische Bond toegeëigend. Dat gat was er al die jaren gebleven.’ Een tweede verklaring voor het blijvende succes van D66 is volgens Vossen dat het een typische partij van de ontzuiling is en goed voor de zwevende kiezer. ‘D66 is voor velen een favoriete tweede partij.’ D66 doet het in de peilingen nu erg goed. Vossen begrijpt dan ook niet waarom de OSF, die nogal eens dichtbij D66 wordt geplaatst, de Tweede Kamer in wil. De OSF moet dan wel met een ‘unique selling point’ komen.’

 

Over de ondergang van de intern verdeelde LPF is veel geschreven en ook het succes van D66 wordt de laatste tijd veelvuldig uitgelicht. Wat verder weggezonken in het collectieve bewustzijn is de ruim tien jaar aanwezigheid van DS’70 in de Tweede Kamer en de korte deelname van deze partij aan het kabinet- Biesheuvel I (1971/1972). Een geschiedenis waar wellicht de OSF lering uit kan trekken.

Eind jaren zestig kwam uit de Partij van de Arbeid de Democratisch Socialisten 1970 (DS’70) op. Een groep van sociaaldemocraten die vond dat de PvdA veel te veel naar links was opgeschoven. De links conservatieve boodschap van de nieuwe partij sloeg aan en bij de verkiezingen in 1971 komt DS’70 met lijsttrekker Wim Drees jr. met acht zetels in de kamer. De confessionele partijen KVP, CHU en de ARP verloren en konden met de VVD geen meerderheid behalen. Met het DS’70 van de zoon van ‘vadertje Drees’ kon wel een meerderheidskabinet worden gevormd.

De DS’70 ministers hielden vast aan hun visie op inflatiebestrijding en weigerden

te bezuinigen. De coalitiepartijen zagen daar niets in en het kabinet-Biesheuvel I viel snel. Iets wat volgens Ruud Nijhof, die als eenmansfractie het licht in de Tweede Kamer voor DS’70 in 1982 uit kon doen, uiteindelijk de partij fataal werd. ‘We zijn ontstaan uit een linkse partij en lieten een rechts kabinet vallen. Dan verlies je sympathie aan beide kanten van het politieke spectrum.’ Bij de kiezer maar ook bij de media verloor zijn partij in de jaren zeventig aan steun en stemmers. ‘Het was een onomkeerbaar proces.’

Nijhof is bekend met de OSF en heeft een positieve indruk van het werk van deze fractie in de Eerste Kamer. ‘Dat de OSF niet onsympathiek is, heeft ook een nadeel’, stelt de man die een middenpartij als DS’70 leidde. ‘Sympathiek is een middenkoers. Je kunt in de politiek beter bemind of gehaat worden. Wat mensen mobiliseert is emotie.’

Dat de OSF nu overweegt om met de Tweede Kamerverkiezingen mee te doen, is nieuw voor de oud-DS’70 leider. ‘De ratio zou zeggen dat het lastig is om zo’n heterogeen palet aan politieke opinies te bundelen. Het lijkt me een moeilijke positie voor de OSF.’ Nieuwsgierig is Nijhof hoe de OSF lokale politiek op landelijk niveau denkt te brengen. ‘Als je die programma’s van de achterban van de OSF goed vergelijkt, zijn er waarschijnlijk grote verschillen.’ Hij erkent dat een nieuwe positionering in Den Haag het lokale element kan zijn. ‘Landelijk is er niet veel op dit vlak. Of dit aspect de kiezer aanspreekt, dat vraag ik me af.’ Nijhof betwijfelt of er ondanks het fenomeen van zwevende kiezer nu veel ruimte is voor nieuwe partijen. ‘Het midden in de politiek is zeker met D66 druk bezet. Toen ik in de Tweede Kamer kwam, droop de haat tussen het CDA en de PvdA van de bankjes. Die tijd is voorbij. Ze zijn allemaal naar elkaar toegeschoven.’ Met de PVV en de SP is er volgens Nijhof ook op de flanken weinig ruimte voor een nieuwe partij. ‘Je moet nu toch een heel erg afwijkend profiel hebben, wil je met aardig wat zetels in de Tweede

Kamer komen.’ Wat ook zeker niet onderschat mag worden is de solide basis van de gevestigde partijen. ‘Neem het CDA en de PvdA. Ondanks dat de oude verzuiling verwaterd is, gaan die nog wel decennia mee. Ze zitten in alle instituties.’ En deze partijen leren voordurend van nieuwkomers. ‘Het is wel frappant dat de huidige PvdA veel van de DS’70 standpunten heeft overgenomen.’

 

Eén-issue-partijen, zoals de Partij voor de Dieren, slagen er volgens Nijhof niet daadwerkelijk in het politieke bestel te veranderen. ‘Tegen de tijd dat de PVDD ook de goudvis uit zijn kom gered heeft, verdwijnt de partij vanzelf.’ De PVV is volgens Nijhof wel een gat in de markt want de partij van Geert Wilders heeft een duidelijke aanhang, die met een eenvoudige boodschap bereikt wordt. Dat de PVV als nieuwe partij aanslaat komt ook doordat het boegbeeld van de partij de touwtjes strak in handen heeft en zijn optredens in de media zorgvuldig kiest. Nijhof maakt daarbij een kanttekening. ‘Charisma is belangrijk maar slechts één leider maakt een partij ook kwetsbaar. Mensen gaan nu eenmaal niet eeuwig in de politiek mee en de omloopsnelheid van politici ligt tegenwoordig hoog.’

Als Nijhof gevraagd wordt of hij iemand weet die bij Tweede Kamerverkiezingen de OSF gezicht kan geven, moet hij diep nadenken. ‘Herman Wijffels maar die zit bij het CDA, Iemand als Opstelten? En helaas, Wilders is bezet’, lacht hij. Nijhof laat doorschemeren dat het niet eenvoudig is om voor de OSF een leider te vinden, die het vooralsnog weinig heldere gedachtegoed van de partij efficiënt en op aansprekende wijze vorm geeft. ‘Toch moet de OSF niet opportunistisch worden. Gewoon zoeken in eigen kring. Daar moet gezien de ervaring in de diverse Provinciale Staten toch een leuke vent of goede vrouw tussen zitten.’

Nijhof gaat er vooralsnog niet vanuit dat hij zelf terugkeert in de politiek. ‘Maar ik ben 64 en bestuurlijk nog actief en uitsluiten moet je nooit iets.’ Na zijn vertrek uit de Tweede Kamer is Nijhof de

pagina 2 van 3

 

politiek altijd blijven volgen. Of hij gevraagd mag worden door de partij die hij eerder sympathiek noemde? ‘Dan zou ik zeer verrast zijn en me eerst stevig in de OSF moeten verdiepen. Ik heb bij de OSF een positieve associatie maar vind het ook diffuus wat ze gezien hun achterban willen. Dat de OSF zich op de Eerste Kamer richt is verstandig en voor de Tweede Kamer zie ik de kiezer niet.’

 

Ook Vossen ziet, zoals hij eerder heeft gezegd, de landelijke kiezer voor de OSF niet. Dat is niet voor het eerst dat een groep politici zich zou vergissen in de populariteit bij het electoraat. En toch richten mensen steeds weer met hoge verwachtingen een partij op. Vossen: ‘Hoop doet leven. Vergelijk het met de bladenbranche: daar komen ook voortdurend nieuwe titels, die al gauw weer verdwijnen.’ Dat er, wellicht tegen beter weten in, partijen worden opgericht komt volgens Vossen ook voort uit het verlangen om een grondlegger van iets nieuws te zijn. ‘En door de overtuiging dat er een veenbrand in Nederland woedt en de politiek terug moet naar de burger.’
De politiek historicus noemt verschillende oorzaken waarom partijen al snel van het toneel verdwijnen. Uit onder meer Vossens onderzoek bleek dat veel van de nieuwe partijen geen wervend programma hadden, waar ze zich aan vast konden houden. Een ander terugkomend probleem is dat nieuwe partijen conflicterende elementen aantrekken. ‘Temperamentvolle, in andere politieke partijen teleurgestelde en ruziemakende types. Het zijn geen Wim Kok types.’ Politieke avonturen lopen volgens Vossen vaak mis omdat de nieuwe partijen onmachtig zijn. ,,Het lukt ze niet om in te breken in de gevestigde orde. Gevolg is dan vaak ruzie in de partij. ’Te weinig financiën noemt hij als vierde oorzaak waarom veel partijen geen lang leven gegund is.

 

Een politieke partij moet een bepaalde levenscyclus hebben, stelt Vossen. Eerst zorgvuldig een partij opzetten en zorgen

dat je in de regio voldoende achterban hebt. Niet te snel aan verkiezingen meedoen en zeker niet te snel in een kabinet gaan zitten. ‘Kijk naar de SP, die hebben een lange aanloop gehad; gaven eerst aan de lokale politiek voorrang. De Rode Jehova’s werden de eerste partijleden genoemd. Ze moesten verplicht langs bij de arbeiders.’

Geert Wilders heeft volgens Vossen goed naar Jan Marijnissen gekeken. Ook hij lijkt te kiezen voor de lange adem. ‘Wilders bouwt het alleen van bovenaf op, creëert een partij rondom zijn eigen persoon. Hij gaat daarbij voorzichtig en zeker niet roekeloos te werk.’ Door als nieuwe partij voor de lange termijn te kiezen, kunnen belangrijke zaken goed geregeld worden. Financiën, de selectie van betrouwbaar en goed personeel dat zich gaat binden aan de partij en de opvolging van een politiek leider. Zaken die volgens Vossen vaak onderschat worden. ’Geert Wilders neemt nu de tijd om op zoek te gaan naar pro- Israëlische republikeinse financiers in de VS.’

 

Geld speelt een enorm grote rol voor het succes van een partij. Campagnes en een organisatie opzetten zijn kostbaar. Vossen: ‘Met een spotje bij de zendtijd van politieke partijen red je het niet.’ Je moet om de partijorganisatie en campagnes te bekostigen op zoek naar betrouwbare financiers. Met alle gevolgen van dien als dat niet nauwkeurig gebeurt. ‘Bij de LPF gold: wie betaalt die bepaalt.’ Een nieuwe partij doet er verstandig aan niet te snel in een kabinet te gaan zitten. De geschiedenis van DS’70 en de LPF maakt dat duidelijk. Het kan volgens Vossen - en voorbeelden in het buitenland onderstrepen dat - alleen maar fout gaan wanneer een nieuwbakken partij regeringsverantwoordelijkheid neemt. ‘Omdat bij zo’n partij nog niet duidelijk is waar men voor staat, het is ook nog niet ingeslepen naar binnen.’ Verder is veelal onduidelijk wie de invloedrijkste personen binnen de partij zijn. Vossen verwijst naar de ruzies tussen de twee LPF-ministers

Bomhoff en Heinsbroek en ook bij DS’70 was het volgens hem nog geen uitgemaakte zaak wie het nu voor het zeggen had toen de partij in kabinet zat.

 

Een nieuwe partij moet volgens Vossen om succes te halen een duidelijke vijand kiezen. ‘Een andere partij voortdurend op fouten wijzen. De SP doet dat met de PvdA, Wilders doet het met de hele Tweede Kamer en met de PvdA in het bijzonder.’ Een tweede advies aan nieuwe partijen is dat ze een zogenoemd ‘issue owner’ moeten worden. ‘Kies een onderwerp waarmee geen enkele andere partij zich profileert. Wat Wilders met zijn antiislam standpunt doet bijvoorbeeld.’ Met een aansprekend ‘issue owner’ krijgt een nieuwe partij geheid veel media-aandacht. ‘Je zit dan zo regelmatig bij Knevel en Van den Brink, de wereld draait door en Pauw en Witteman.’ Vossen stelt dat het in het begin verstandig is wanneer slechts één iemand van de partij zich naar buiten toe met dit thema profileert. De politiek historicus betwijfelt of Nederland groot genoeg is voor een OSF die met meerdere zetels in de Tweede Kamer zit. ‘Het ligt voor de hand dat ze zich gaan richten op meer federalisme maar daar zit de Nederlandse stemmer niet op te wachten. Je kan wel zeggen dat je opkomt voor de regio maar dat doet in alle eerlijkheid het CDA nu ook.’ Al speculerend komt Vossen met het thema Randstad versus de provincie waarmee de OSF zich kan profileren. ‘Het PSV-gevoel maar dan in de politiek. En laat zien wat er mis is met de politiek in Den Haag. ‘Als je kunt aantonen dat door corruptie geld uit de Randstad niet in de provincie aankomt, dan heb je iets.’

 

Arjan van Westen is freelance journalist

pagina 3 van 3

Laatst aangepast op woensdag, 30 september 2009 14:14